Art. 4 Verordening (EG) nr. 1338/2001, Verplichte inlevering van valse bankbiljetten ter identificatie
Verordening (EG) nr. 1338/2001
1. In overeenstemming met de Europese Centrale Bank wordt door de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijken een nationaal analysecentrum (NAC) aangewezen of opgericht.
2. De bevoegde nationale autoriteiten staan toe dat bankbiljetten waarvan wordt vermoed dat zij vals zijn, door het NAC worden onderzocht, en verschaffen het NAC onverwijld ter analyse en identificatie de nodige exemplaren van elk type bankbiljet waarvan wordt vermoed dat het vals is, alsmede de technische en statistische gegevens waarover zij beschikken. Het NAC doet de Europese Centrale Bank ieder nieuw type bankbiljet toekomen waarvan wordt vermoed dat het vals is, volgens de door de ECB vastgestelde criteria.
3. Lid 2 wordt op zodanige wijze toegepast dat het geen beletsel vormt om bankbiljetten waarvan wordt vermoed dat zij vals zijn, te bewaren en te gebruiken als bewijsmiddel in het kader van strafprocedures.
4. De Europese Centrale Bank deelt het eindresultaat van haar analyse en van haar classificatie van elk nieuw type vals bankbiljet mee aan de bevoegde nationale autoriteiten, alsmede aan de Commissie voorzover zulks onder haar bevoegdheden valt. De Europese Centrale Bank deelt dit resultaat mee aan Europol overeenkomstig het in artikel 3, lid 3, bedoelde akkoord.