Art. 4 Verordening (EG) nr. 70/2001, Investeringen
1. Steun voor investeringen in materiële en immateriële activa in of buiten de Gemeenschap is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, van het Verdrag en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, indien hij aan de in de leden 2 tot en met 6 vastgestelde voorwaarden voldoet.
2. De brutosteunintensiteit mag niet meer bedragen dan:
a) 15 % in het geval van kleine ondernemingen; of
b) 7,5 % in het geval van middelgrote ondernemingen.
3. Wanneer de investering plaatsvindt in een gebied dat voor regionale steun in aanmerking komt, mag de steunintensiteit het plafond dat voor regionale investeringssteun is vastgesteld op de kaart die de Commissie voor elke lidstaat goedkeurt, niet overschrijden met meer dan:
a) 10 procentpunten bruto in gebieden die onder artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag vallen, mits de totale nettosteunintensiteit niet meer dan 30 % bedraagt; of
b) 15 procentpunten bruto in streken die onder artikel 87, lid 3, onder a), van het Verdrag vallen, mits de totale nettosteunintensiteit niet meer dan 75 % bedraagt.
De hogere regionale steunplafonds zijn slechts van toepassing, indien de steun wordt verleend op voorwaarde dat de investering ten minste gedurende vijf jaar behouden blijft in het gebied waar de steun wordt verleend, en op voorwaarde dat de begunstigde onderneming ten minste voor 25 % in de kosten van de investering bijdraagt.
4. De in de leden 2 en 3 vastgestelde plafonds zijn van toepassing op de steunintensiteit, berekend hetzij als een percentage van de in aanmerking komende kosten van de investering, hetzij als een percentage van de loonkosten die betrekking hebben op de door de verwezenlijking van de investering geschapen arbeidsplaatsen (werkgelegenheidssteun), hetzij als een combinatie daarvan, mits de steun niet hoger is dan het gunstigste van de bedragen die beide berekeningen opleveren.
5. Wanneer de steun wordt berekend op grond van de investeringskosten, zijn de in aanmerking komende kosten van materiële investeringen de kosten die betrekking hebben op investeringen in grond, gebouwen, machines en uitrusting. In de vervoerssector behoren vervoermiddelen en vervoersuitrusting, met uitzondering van rollend spoorwegmaterieel, niet tot de in aanmerking komende kosten. De in aanmerking komende kosten van immateriële investeringen zijn de kosten voor de verwerving van de technologie.
6. Wanneer de steun wordt berekend op grond van de geschapen arbeidsplaatsen, wordt het steunbedrag uitgedrukt als een percentage van de loonkosten die over een periode van twee jaar betrekking hebben op deze arbeidsplaatsen, en dit onder de volgende voorwaarden:
a) het scheppen van arbeidsplaatsen moet verband houden met de uitvoering van een project dat voorziet in een investering in materiële of immateriële activa. De arbeidsplaatsen moeten binnen drie jaar na de volledige verwezenlijking van de investering worden geschapen;
b) het investeringsproject moet leiden tot een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging in vergelijking met het gemiddelde over de voorgaande twaalf maanden; en
c) de geschapen arbeidsplaatsen moeten ten minste gedurende een periode van vijf jaar behouden blijven.