Art. 3 Richtlijn 2001/77/EG, Nationale indicatieve streefcijfers
1. De lidstaten nemen passende maatregelen om het verbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te stimuleren overeenkomstig de in lid 2 bedoelde nationale indicatieve streefcijfers. Die maatregelen moeten in verhouding staan tot het te bereiken doel.
2. Uiterlijk op 27 oktober 2002 en daarna om de vijf jaar stellen de lidstaten een verslag vast, dat zij publiceren. Daarin worden voor de volgende tien jaar de nationale indicatieve streefcijfers voor het toekomstige binnenlandse verbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen vastgesteld, uitgedrukt in een percentage van het elektriciteitsverbruik. In het verslag wordt ook een overzicht gegeven van de maatregelen die op nationaal niveau genomen of gepland zijn om die nationale streefcijfers te verwezenlijken. Voor de vaststelling van de streefcijfers tot het jaar 2010:
- houden de lidstaten rekening met de referentiewaarden in de bijlage en
- zien zij erop toe dat de streefcijfers verenigbaar zijn met eventuele nationale verbintenissen uit hoofde van de verplichtingen op het gebied van klimaatverandering die de Gemeenschap is aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.
3. De lidstaten publiceren, voor het eerst uiterlijk op 27 oktober 2003 en vervolgens om de twee jaar, een verslag waarin wordt aangegeven in hoeverre de nationale indicatieve streefcijfers zijn verwezenlijkt, in het bijzonder rekening houdend met de klimatologische factoren die van invloed zijn, en in hoeverre de genomen maatregelen stroken met de nationale verbintenis op het gebied van klimaatverandering.
4. Aan de hand van de in de leden 2 en 3 bedoelde verslagen van de lidstaten beoordeelt de Commissie in hoeverre:
- de lidstaten vorderingen hebben gemaakt voor het bereiken van de nationale indicatieve streefcijfers;
- de nationale indicatieve streefcijfers verenigbaar zijn met het algemene indicatieve streefcijfer van 12 % van het bruto binnenlandse energieverbruik in 2010 en in het bijzonder met een indicatieve aandeel van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen van 22,1 % in het totale elektriciteitsverbruik in de Gemeenschap in 2010.
De Commissie publiceert, voor het eerst uiterlijk op 27 oktober 2004 en vervolgens om de twee jaar, haar conclusies in een verslag. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad.
Komt de Commissie in het verslag tot de conclusie dat het waarschijnlijk om ongegronde redenen is, of om redenen die niet op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd zijn, dat de nationale indicatieve streefcijfers niet met het algemene indicatieve streefcijfer verenigbaar zijn, dan geeft zij in deze voorstellen nationale, eventueel bindende, streefcijfers in de geëigende vorm.