Art. 16 Richtlijn 2001/55/EG
1. De lidstaten nemen zo spoedig mogelijk maatregelen om de nodige vertegenwoordiging van niet-begeleide minderjarigen die tijdelijke bescherming genieten, te verzekeren door wettelijke voogdij of indien nodig door vertegenwoordiging door een organisatie die belast is met de zorg voor en het welzijn van minderjarigen, of door iedere andere vorm van passende vertegenwoordiging.
2. Gedurende de tijdelijke bescherming zorgen de lidstaten ervoor dat niet-begeleide minderjarigen worden geplaatst:
a) bij meerderjarige verwanten;
b) in een pleeggezin;
c) in opvangcentra met speciale voorzieningen voor minderjarigen of in een andere accommodatie met passende voorzieningen voor minderjarigen;
d) bij de persoon die het kind tijdens de vlucht onder zijn hoede had.
De lidstaten doen het nodige om deze plaatsing mogelijk te maken. De lidstaten gaan na of de meerderjarige of de betrokkenen met de hereniging instemmen. De mening van het kind wordt in aanmerking genomen, rekening houdend met de leeftijd en de rijpheid van het kind.