Art. 107 Richtlijn 2001/34/EG

Richtlijn 2001/34/EG

1. De lidstaten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest bij de bevoegde autoriteiten, aan het beroepsgeheim gebonden zijn. Dit houdt in dat de vertrouwelijke inlichtingen die zij beroepshalve ontvangen, aan geen enkele persoon of autoriteit bekend mogen worden gemaakt, tenzij dit krachtens wettelijke voorschriften geschiedt.

2. Lid 1 belet evenwel niet dat de bevoegde autoriteiten van verschillende lidstaten de in deze richtlijn bedoelde inlichtingen uitwisselen. Op de aldus uitgewisselde inlichtingen is het beroepsgeheim van toepassing dat in acht moet worden genomen door de personen die werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest bij de bevoegde autoriteiten die deze inlichtingen ontvangen.

3. Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen, mogen de bevoegde autoriteiten die de inlichtingen bedoeld in titel III, hoofdstuk I en in titel V, hoofdstuk I, en in bijlage I, krachtens artikel 106 ontvangen, deze slechts gebruiken voor de uitoefening van hun taken of in het kader van administratieve beroepen of gerechtelijke procedures betreffende die uitoefening.

De bevoegde autoriteit die krachtens lid 2 in titel IV, hoofdstuk III, bedoelde vertrouwelijke informatie ontvangt, mag deze uitsluitend voor de vervulling van haar taak gebruiken.

Vorige artikelen

Volgende artikelen