Art. 33 Richtlijn 2001/14/EG, Uitzonderingen

Richtlijn 2001/14/EG

1. Gedurende een periode van vijf jaar, ingaande op 15 maart 2003, behoeven:

- Ierland, als lidstaat die op een eiland gelegen is, met een spoorverbinding met slechts één andere lidstaat,

- het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland om dezelfde reden, en

- Griekenland, als lidstaat met geen enkele rechtstreekse spoorverbinding met een andere lidstaat,

de volgende artikelen niet toe te passen:

a) artikel 3, artikel 4, lid 2, de artikelen 13, 14 en 17, artikel 21, leden 4 en 6, artikel 22, artikel 24, lid 3, en de artikelen 25 tot en met 28 en 30 op voorwaarde dat spoorwegondernemingen, zo nodig schriftelijk, beroep kunnen instellen tegen beslissingen betreffende de toewijzing van infrastructuurcapaciteit of de heffing van gebruiksrechten bij een onafhankelijke instantie die binnen twee maanden na de verstrekking van alle dienstige informatie een besluit neemt dat door de rechter kan worden getoetst, en

b) evenmin artikel 32 voorzover spoorwegvervoerdiensten buiten het toepassingsgebied vallen van artikel 10 van Richtlijn 91/440/EEG.

2. Echter indien:

a) meer dan één spoorwegonderneming met een vergunning overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 95/18/EG en in het geval van Ierland en Noord-Ierland een spoorwegonderneming die elders aldus een vergunning heeft verkregen, een officiële aanvraag indient om concurrerende spoorwegdiensten te exploiteren in, naar of vanuit Ierland, Noord-Ierland of Griekenland wordt over de voortzetting van deze afwijking een besluit genomen volgens de raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 35, lid 2, of

b) een spoorwegonderneming die in Ierland, Noord-Ierland of Griekenland treindiensten exploiteert een officiële aanvraag indient om spoorwegdiensten te exploiteren op, naar of vanuit het grondgebied van een andere lidstaat (in het geval van Ierland of, met betrekking tot Noord-Ierland, van het Verenigd Koninkrijk, of beide, een andere lidstaat buiten hun grondgebied) gelden de in lid 1 bedoelde uitzonderingen niet.

Binnen een jaar te rekenen vanaf de ontvangst van hetzij het onder a) bedoelde besluit, genomen overeenkomstig de raadplegingsprocedure van artikel 35, lid 2, hetzij de kennisgeving van de onder b) bedoelde officiële aanvraag, neemt/nemen de betrokken lidstaat/lidstaten (Ierland, het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot Noord-Ierland, of Griekenland) de nodige wetgeving aan ter toepassing van alle in lid 1 bedoelde artikelen.

3. Een uitzondering als bedoeld in de eerste alinea van lid 1 kan worden vernieuwd voor periodes van niet langer dan vijf jaar. Uiterlijk twaalf maanden voor het verstrijken van de uitzondering kan de lidstaat die de uitzondering heeft verkregen zich tot de Commissie richten om een hernieuwde uitzondering te vragen. Het verzoek tot verlenging moet met redenen worden omkleed. De Commissie onderzoekt elk verzoek en neemt een besluit volgens de raadplegingsprocedure van artikel 35, lid 2. Deze raadplegingsprocedure geldt voor alle met de aanvraag verband houdende besluiten.

Bij de aanneming van haar besluit houdt de Commissie rekening met de ontwikkelingen in de geopolitieke toestand en de ontwikkeling van de spoorwegmarkt in, vanuit en naar de lidstaat die om een hernieuwde uitzondering heeft verzocht.

4. Luxemburg als lidstaat met een relatief klein spoorwegnet behoeft tot en met 31 augustus 2004 niet te voldoen aan het vereiste dat een onafhankelijke instantie wordt belast met de functies die bepalend zijn voor billijke en niet-discriminerende toegang tot infrastructuur, overeenkomstig de artikelen 4 en 14, voor zover de lidstaten daarbij verplicht worden onafhankelijke instanties in te stellen om de in deze artikelen bedoelde taken te verrichten.