Art. 32 Richtlijn 2001/14/EG, Veiligheidsattest
1. De regelingen inzake veiligheidscertificering die gelden voor spoorwegondernemingen die in de Gemeenschap gevestigd zijn of zullen worden, en voor internationale samenwerkingsverbanden daarvan, moeten in overeenstemming zijn met de leden 2 en 3 van dit artikel.
2. De lidstaten bepalen met betrekking tot hun respectieve grondgebieden dat een veiligheidsattest wordt overgelegd met de veiligheidseisen waaraan spoorwegondernemingen moeten voldoen om op de betrokken trajecten een veilige dienst te waarborgen.
3. Om het veiligheidsattest te verkrijgen, moet de spoorwegonderneming voldoen aan de nationale voorschriften, die met de Gemeenschapswetgeving verenigbaar zijn en op niet-discriminerende wijze worden toegepast, betreffende de specifieke operationele en technische eisen voor de spoorwegdiensten en de veiligheidseisen voor het personeel, het rollend materieel en de interne organisatie van de onderneming.
Met name moet zij het bewijs leveren dat het personeel dat zij in dienst heeft voor de besturing en begeleiding van treinen de nodige opleiding heeft gekregen om de door de infrastructuurbeheerder toegepaste verkeersregels en de haar in het belang van het treinverkeer opgelegde veiligheidsvoorschriften na te leven.
De spoorwegonderneming moet ook aantonen dat het rollend materieel waaruit die treinen zijn samengesteld, door de overheid of door de infrastructuurbeheerder is goedgekeurd, en volgens de voor de gebruikte infrastructuur geldende exploitatievoorschriften wordt gecontroleerd. Het veiligheidsattest wordt afgegeven door de instantie die daartoe is aangewezen door de lidstaat waarin zich de gebruikte infrastructuur bevindt.