Art. 8 Verordening (EG) nr. 1334/2000

Verordening (EG) nr. 1334/2000

Bij hun besluit al dan niet een uitvoervergunning uit hoofde van deze verordening te verlenen, houden de lidstaten rekening met alle terzake dienende overwegingen, waaronder:

a) de verplichtingen en verbintenissen waarmee ieder van hen heeft ingestemd als partij bij de internationale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van de desbetreffende internationale verdragen;

b) hun verplichtingen in het kader van sancties uit hoofde van een door de Raad vastgesteld gemeenschappelijk standpunt of gemeenschappelijk optreden of uit hoofde van een besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

c) overwegingen van nationaal buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen uit hoofde van de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer;

d) overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar.