Art. 7 Verordening (EG) nr. 1334/2000

Verordening (EG) nr. 1334/2000

1. Indien de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een individuele uitvoervergunning voor een niet in de lijst van bijlage II vermelde bestemming, of, in het geval van in de lijst van bijlage IV vermelde producten, voor een andere bestemming dan die waarvoor de vergunning is aangevraagd, zich in een of meer lidstaten bevinden, wordt dat gegeven in de aanvraag vermeld. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, treden onverwijld in overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten en verstrekken alle terzake dienende informatie. De geraadpleegde lidstaat of lidstaten maken eventuele bezwaren tegen de afgifte van een dergelijke vergunning binnen tien werkdagen kenbaar. Deze bezwaren zijn bindend voor de lidstaat waar de vergunning is aangevraagd.

Indien binnen tien werkdagen geen bezwaren worden ontvangen, wordt de geraadpleegde lidstaat of worden de geraadpleegde lidstaten geacht geen bezwaar te hebben.

In uitzonderlijke gevallen kan een geraadpleegde lidstaat om verlenging van de termijn van tien dagen verzoeken. De verlenging mag evenwel niet meer dan dertig werkdagen bedragen.

2. Indien een uitvoer zijn wezenlijke veiligheidsbelangen zou kunnen schaden, kan een lidstaat een andere lidstaat verzoeken geen uitvoervergunning te verlenen of, indien deze reeds is verleend, die vergunning nietig te verklaren, op te schorten, te wijzigen of in te trekken. De lidstaat die een dergelijk verzoek ontvangt, treedt met de verzoekende lidstaat onverwijld in overleg van niet bindende aard, welk overleg binnen tien werkdagen dient te worden afgerond.