Art. 5
1. Geen certificaat wordt geëist en evenmin mag een certificaat worden overgelegd voor transacties:
- als bedoeld in de artikelen 36, 40, 44, 45 en 46, lid 1, van Verordening (EG) nr. 800/1999, of
- waaraan elk handelskarakter vreemd is, of
- als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 918/83, of
- die hoeveelheden betreffen die niet groter zijn dan de in bijlage III vermelde hoeveelheden.
In afwijking van de eerste alinea dient een certificaat te worden overgelegd wanneer de invoer- of uitvoertransactie geschiedt in het kader van een preferentiële regeling waarvan de toepassing door middel van een certificaat wordt toegestaan.
De lidstaten nemen maatregelen ter voorkoming van misbruik wanneer dit lid wordt toegepast, en met name wanneer klaarblijkelijk zonder enige economische of andere reden verscheidene invoer- of uitvoeraangiften ter dekking van een enkele invoer- of uitvoertransactie worden gebruikt.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder "transacties waaraan elk handelskarakter vreemd is" verstaan:
a) bij invoer, transacties die door particulieren worden verricht of, in geval van zendingen, zendingen die bestemd zijn voor particulieren en die beantwoorden aan de in de inleidende bepalingen, titel II, afdeling D, punt 2, van de gecombineerde nomenclatuur vastgestelde criteria;
b) bij uitvoer, transacties die door particulieren worden verricht en die mutatis mutandis aan de onder a) bedoelde criteria beantwoorden.
3. De lidstaten zijn gemachtigd geen uitvoercertificaat te eisen voor producten en/of goederen die door particulieren of verenigingen worden verzonden met het oog op kosteloze distributie ervan in derde landen in het kader van humanitaire hulpacties, voor zover aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
a) de belanghebbenden die om deze vrijstelling verzoeken, maken geen aanspraak op enige restitutie;
b) de zendingen hebben een incidenteel karakter en bestaan uit uiteenlopende producten en/of goederen, en de lading per vervoermiddel bedraagt niet meer dan 30000 kg, en
c) de bevoegde autoriteiten beschikken over voldoende bewijzen wat de bestemming van de producten en/of goederen en de goede uitvoering van de actie betreft.
In vak 44 van de uitvoeraangifte wordt de volgende vermelding aangebracht: "Geen restitutie artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1291/2000".