Art. 6 Richtlijn 2000/35/EG, Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan deze richtlijn te voldoen vóór 8 augustus 2002. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten mogen bepalingen handhaven of in werking doen treden die gunstiger zijn voor de schuldeiser dan die welke noodzakelijk zijn om aan deze richtlijn te voldoen.
3. Bij de omzetting van deze richtlijn mogen de lidstaten uitsluiten:
a) schulden die het voorwerp zijn van een insolventieprocedure tegen de schuldenaar,
b) overeenkomsten die gesloten zijn vóór 8 augustus 2002, en
c) vorderingen inzake interestbedragen van minder dan 5 EUR.
4. De lidstaten delen de Commissie de tekst mee van de belangrijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
5. Twee jaar na 8 augustus 2002 stelt de Commissie een onderzoek in naar onder meer de wettelijke interestvoet, de contractuele betalingstermijnen en de betalingsachterstanden, om de invloed op handelstransacties en de praktische werking van de wetgeving te evalueren. De bevindingen van dit onderzoek en van andere onderzoeken worden meegedeeld aan het Europees Parlement en de Raad, en gaan, indien dit nodig wordt geacht, vergezeld van voorstellen ter verbetering van deze richtlijn.