Art. 1 Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering, Toepassingsgebied
Richtlijn 2000/26/EG (Vierde richtlijn motorrijtuigenverzekering)
1. Deze richtlijn heeft tot doel bijzondere bepalingen vast te stellen die van toepassing zijn op benadeelden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van materiële schade of lichamelijk letsel ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een andere lidstaat dan de lidstaat van hun woonplaats en veroorzaakt zijn door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat.
Zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de wetgeving van derde landen inzake de wettelijke aansprakelijkheid en aan het internationaal privaatrecht, zijn de bepalingen van deze richtlijn ook van toepassing op in een lidstaat woonachtige benadeelden die aanspraak kunnen maken op vergoeding van materiële schade of lichamelijk letsel ten gevolge van ongevallen die zich hebben voorgedaan in een derde land waarvan het nationale bureau van verzekeraars, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 72/166/EEG, is aangesloten bij het groenekaartsysteem, wanneer dergelijke ongevallen zijn veroorzaakt door de deelneming aan het verkeer door voertuigen die gewoonlijk zijn gestald en verzekerd in een lidstaat.
2. De artikelen 4 en 6 zijn slechts van toepassing met betrekking tot ongevallen die veroorzaakt zijn door het gebruik van een voertuig dat
a) verzekerd is via een vestiging in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde en
b) gewoonlijk is gestald in een andere lidstaat dan die van de woonplaats van de benadeelde.
3. Artikel 7 is eveneens van toepassing op ongevallen die veroorzaakt zijn door voertuigen uit derde landen die vallen onder de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 72/166/EEG.