Art. 34 Richtlijn 2000/12/EG, Algemene beginselen

Richtlijn 2000/12/EG

1. Indien een lidstaat bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, ter uitvoering van de communautaire wetgeving inzake bedrijfseconomisch toezicht, maatregelen treft waarin de term "eigen vermogen" wordt gebruikt of wordt gerefereerd aan dat begrip, ziet hij erop toe dat deze term of dit begrip in overeenstemming is met de definitie in de leden 2, 3 en 4 en in de artikelen 35 tot en met 38.

2. Onverminderd de in artikel 38 vastgestelde limieten bestaat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen uit de hierna genoemde bestanddelen:

1. gestort kapitaal in de zin van artikel 22 van Richtlijn 86/635/EEG plus agiorekening, maar zonder de cumulatief preferente aandelen;

2. reserves in de zin van artikel 23 van Richtlijn 86/635/EEG en de resultaten van het voorgaande jaar die zijn overgedragen door bestemming van het definitieve resultaat. De lidstaten kunnen alleen toestaan dat tussentijdse positieve resultaten worden meegeteld voordat een formeel besluit is genomen, wanneer zij zijn geverifieerd door met de controle van de rekeningen belaste personen en wanneer ten genoegen van de bevoegde autoriteiten is aangetoond dat het bedrag daarvan is geraamd overeenkomstig de beginselen, neergelegd in Richtlijn 86/635/EEG, en netto is, na aftrek van alle te verwachten lasten en van voorzieningen voor dividenden;

3. de fondsen voor algemene bankrisico's in de zin van artikel 38 van Richtlijn 86/635/EEG;

4. herwaarderingsreserves in de zin van artikel 33 van Richtlijn 78/660/EEG;

5. waardecorrecties in de zin van artikel 37, lid 2, van Richtlijn 86/635/EEG;

6. andere bestanddelen in de zin van artikel 35;

7. de in artikel 36, lid 1, bedoelde aansprakelijkheidsverplichtingen van leden van kredietinstellingen met de rechtsvorm van coöperatieve verenigingen en de hoofdelijke verplichtingen van de leningnemers van bepaalde, in de vorm van een fonds georganiseerde instellingen;

8. cumulatief preferente aandelen met een vaste looptijd alsmede achtergestelde leningen in de zin van artikel 36, lid 3.

Zoals bepaald in artikel 38 worden de volgende bestanddelen afgetrokken:

9. het bezit aan eigen aandelen van de kredietinstelling, tegen boekwaarde;

10. immateriële activa in de zin van artikel 4 (Activa), punt 9, van Richtlijn 86/635/EEG;

11. negatieve resultaten van enige betekenis van het lopende boekjaar;

12. deelnemingen in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen, alsmede achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door kredietinstellingen en financiële instellingen waarin zij voor meer dan 10 % van hun kapitaal deelneemt.

Indien tijdelijk aandelen in een andere kredietinstelling of financiële instelling worden gehouden met het oog op een financiële bijstandsoperatie, bedoeld om die instelling te saneren en te redden, kan de bevoegde autoriteit ontheffingen van deze bepaling verlenen;

13. deelnemingen in andere kredietinstellingen en andere financiële instellingen ten belope van 10 % of minder van het kapitaal van die instellingen, alsook achtergestelde schuldvorderingen en de in artikel 35 bedoelde, in het bezit van de kredietinstelling zijnde schuldtitels, uitgegeven door andere dan de in punt 12 bedoelde kredietinstellingen en andere financiële instellingen, voor het bedrag van het totaal van deze deelnemingen, achtergestelde schuldvorderingen en schuldtitels dat 10 % van het eigen vermogen van de kredietinstelling, berekend vóór de aftrek van de bestanddelen genoemd in punt 12 en in het onderhavige punt, te boven gaat.

Wat de eventuele berekening van het niet-geconsolideerde eigen vermogen betreft, mogen de lidstaten toestaan dat moederondernemingen die onderworpen zijn aan een toezicht op geconsolideerde basis, in de consolidatie begrepen deelnemingen in andere financiële of kredietinstellingen, niet aftrekken. Deze bepaling geldt voor alle voorschriften inzake bedrijfseconomisch toezicht die via communautaire besluiten worden geharmoniseerd.

3. Het begrip "eigen vermogen" als gedefinieerd in lid 2, punten 1 tot en met 8, houdt een maximum aan bestanddelen en bedragen in. Het gebruik van deze bestanddelen of de vaststelling van lagere plafonds alsmede de aftrek van andere bestanddelen dan die welke vermeld zijn in lid 2, punten 9 tot en met 13, worden overgelaten aan het oordeel van de lidstaten. Deze zijn evenwel gehouden te streven naar een grotere convergentie met het oog op een gemeenschappelijke definitie van het begrip "eigen vermogen".

Daartoe legt de Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 een verslag betreffende de toepassing van het onderhavige artikel en van de artikelen 35 tot en met 39 voor aan het Europees Parlement en aan de Raad, eventueel vergezeld van de wijzigingen die zij nodig acht. Uiterlijk op 1 januari 1998 zullen het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag en na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, de definitie van het eigen vermogen onderzoeken en opnieuw bezien met het oog op een uniforme toepassing van de gemeenschappelijke definitie.

4. De kredietinstelling moet onmiddellijk en zonder beperking kunnen beschikken over de in lid 2, punten 1 tot en met 5, vermelde bestanddelen om risico's of verliezen te dekken zodra deze zich voordoen. Het bedrag van deze bestanddelen moet ten tijde van hun berekening vrij zijn van elke voorzienbare belasting of daarvoor gecorrigeerd zijn voorzover deze belastingen het bedrag verlagen ten belope waarvan deze bestanddelen aangewend kunnen worden voor het dekken van risico's of verliezen.