Art. 1 Richtlijn 2000/9/EG

Richtlijn 2000/9/EG

1. Deze richtlijn heeft betrekking op kabelbaaninstallaties voor personenvervoer.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "kabelbaaninstallaties voor personenvervoer" verstaan, installaties bestaande uit verschillende componenten, die ontworpen, gebouwd, geassembleerd en in bedrijf gesteld worden met het oog op het vervoer van personen.

Bij deze op het betrokken terrein aangelegde installaties geschiedt het vervoer van personen met voertuigen of met sleeptoestellen, die worden voortgetrokken door en/of opgehangen zijn aan langsheen het tracé aangebrachte kabels.

3. De betrokken installaties zijn:

a) kabelspoorwegen en andere installaties waarvan de voertuigen worden gedragen door wielen of door andere draagvoorzieningen en voortbewogen met één of meer kabels;

b) zweefbanen waarvan de voertuigen worden gedragen en/of voortbewogen door één of meer kabels; deze categorie omvat ook gondelbanen en stoeltjesliften;

c) skisleepliften die gebruikers welke met passende benodigdheden zijn uitgerust, langs kabels voorttrekken.

4. Deze richtlijn is van toepassing op

- installaties die na de inwerkingtreding van de richtlijn gebouwd en in bedrijf gesteld worden,

- subsystemen en veiligheidscomponenten die na de inwerkingtreding van de richtlijn in de handel gebracht worden.

Deze richtlijn heeft betrekking op de harmonisatiebepalingen die noodzakelijk en voldoende zijn om de naleving van de in artikel 3, lid 1, bedoelde essentiële eisen te waarborgen.

Indien belangrijke bestanddelen, subsystemen of veiligheidscomponenten van bestaande installaties zodanig worden gewijzigd dat de betrokken lidstaat een nieuwe vergunning tot inbedrijfstelling moet afgeven, dienen die wijzigingen en de gevolgen daarvan voor de installatie in haar geheel te voldoen aan de essentiële eisen van artikel 3, lid 1.

5. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

- installatie: een compleet op het betrokken terrein aangelegd systeem, bestaande uit infrastructuur en de in bijlage I beschreven subsystemen; de infrastructuur, die speciaal voor iedere installatie wordt ontworpen en ter plaatse wordt aangelegd, omvat het tracé, de systeemdata, de voor de bouw en de werking van de installatie noodzakelijke stations- en lijnconstructies, met inbegrip van de funderingen;

- veiligheidscomponent: een elementair onderdeel, een groep van onderdelen, een deelverzameling of een verzameling van materiaal alsmede elke inrichting, dat/die in de installatie ter waarborging van de veiligheid verwerkt is en in de veiligheidsanalyse is geïdentificeerd, en waarvan een defect of een werkingsfout een risico inhoudt voor de veiligheid of de gezondheid van personen, ongeacht of het passagiers, personeel of derden betreft;

- opdrachtgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening een installatie wordt gebouwd;

- bedrijfstechnische voorwaarden: alle technische voorzieningen en maatregelen die van invloed zijn op het ontwerp en de uitvoering en die vereist zijn voor een veilige werking;

- onderhoudstechnische voorwaarden: alle technische voorzieningen en maatregelen die van invloed zijn op het ontwerp en de uitvoering en die vereist zijn voor het onderhoud ter verzekering van een veilige werking.

6. Van het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn uitgesloten:

- liften in de zin van Richtlijn 95/16/EG(10);

- traditioneel gebouwde kabeltrams;

- installaties die gebruikt worden voor landbouwdoeleinden;

- al dan niet vaste kermistoestellen en installaties in pretparken, die worden gebruikt voor vrijetijdsbesteding en niet voor personenvervoer;

- mijnbouwinstallaties en installaties die aangelegd of gebruikt worden voor industriële doeleinden;

- kabelponten;

- tandradbanen;

- met kettingen voortbewogen installaties.

Volgende artikelen