Art. 5

1. De lidstaten zien erop toe dat alle in dit hoofdstuk bedoelde kooien vanaf 1 januari 2003 ten minste voldoen aan de volgende eisen:

1. De legkippen moeten elk beschikken over een kooioppervlakte van ten minste 550 cm2, horizontaal gemeten, die vrij beschikbaar is, en waarin met name niet zijn meegerekend de eierbeschermplaten die de beschikbare oppervlakte kunnen beperken.

2. Er moet een vrij beschikbare voederbak aanwezig zijn, met een lengte van ten minste 10 cm vermenigvuldigd met het aantal kippen in de kooi.

3. Tenzij er drinknippels of drinkbakjes gemonteerd zijn, moet in elke kooi een continu werkende drinkgoot met dezelfde lengte als de in punt 2 bedoelde voederbak aanwezig zijn. Bij waterverstrekking via nippels of drinkwaterbakjes moeten ten minste twee nippels of twee drinkbakjes per kooi bereikbaar zijn.

4. De kooien moeten over 65 % van de kooioppervlakte ten minste 40 cm hoog zijn en mogen nergens lager zijn dan 35 cm.

5. De bodem van de kooien moet zo geconstrueerd zijn dat daarop alle naar voren gerichte tenen van beide poten behoorlijk kunnen steunen. De bodemhelling mag niet meer bedragen dan 14 % of 8 graden. Voor bodems waarin ander dan rechthoekig draadgaas wordt gebruikt, kunnen de lidstaten een steilere helling toestaan.

6. De kooien moeten uitgerust zijn met passende voorzieningen om het doorgroeien van de nagels tegen te gaan.

2. De lidstaten zien erop toe dat het houden van kippen in de in dit hoofdstuk bedoelde kooien met ingang van 1 januari 2012 verboden wordt. Bovendien is het bouwen of voor het eerst in gebruik nemen van de in dit hoofdstuk bedoelde kooien met ingang van 1 januari 2003 verboden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen