Art. 10 Richtlijn 1999/45/EG, Kenmerken

Richtlijn 1999/45/EG

1.1. De lidstaten dragen er zorg voor dat:

a) preparaten in de zin van artikel 1, lid 2, van deze richtlijn slechts in de handel kunnen worden gebracht indien de kenmerking op de verpakking voldoet aan alle eisen van dit artikel en aan de specifieke bepalingen van bijlage V, deel A en deel B;

b) preparaten in de zin van artikel 1, lid 3, van deze richtlijn, zoals omschreven in bijlage V, delen B en C, slechts in de handel kunnen worden gebracht indien de kenmerking op de verpakking voldoet aan de eisen van lid 2.1 en lid 2.2 van dit artikel en aan de specifieke bepalingen van bijlage V, delen B en C;

1.2. wat betreft de gewasbeschermingsproducten die onder Richtlijn 91/414/EEG vallen, moeten de krachtens deze richtlijn vereiste etiketten de volgende tekst bevatten: "volg de gebruiksaanwijzing om gevaar voor mens en milieu te voorkomen".

Deze kenmerking geschiedt onverminderd de informatie die overeenkomstig artikel 16 en bijlage V bij Richtlijn 91/414/EEG is vereist.

2. Op elke verpakking worden de volgende aanduidingen duidelijk leesbaar en onuitwisbaar aangebracht:

2.1. de benaming of handelsnaam van het preparaat;

2.2. de naam en het volledig adres, inclusief telefoonnummer, van degene die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het preparaat en gevestigd is in de Gemeenschap, ongeacht of deze de fabrikant, de importeur of de distributeur is;

2.3. de chemische benaming van de in het preparaat aanwezige stof(fen), en wel als volgt:

2.3.1. voor preparaten die overeenkomstig artikel 6 als T+, T of Xn zijn ingedeeld, moet alleen rekening worden gehouden met de T+-, T- of Xn-stoffen die aanwezig zijn in een concentratie welke gelijk is aan of groter is dan hun respectieve laagste grenswaarde (de Xn-grens) zoals vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG of, bij gebreke daarvan in bijlage II, deel B bij deze richtlijn;

2.3.2. voor preparaten die overeenkomstig artikel 6 als C zijn ingedeeld, moet alleen rekening worden gehouden met de C-stoffen die aanwezig zijn in een concentratie welke gelijk is aan of groter is dan hun laagste grenswaarde de (de Xi-grens) zoals vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG of, bij gebreke daarvan, in bijlage II, deel B, bij deze richtlijn;

2.3.3. op het etiket wordt de benaming vermeld van de stof(fen) op grond waarvan het preparaat is ingedeeld in één of meer van de volgende gevarencategorieën:

- kankerverwekkend, categorie 1, 2 of 3;

- mutageen, categorie 1, 2 of 3;

- voor de voortplanting vergiftig, categorie 1, 2 of 3;

- zeer vergiftig, vergiftig of schadelijk op grond van niet-letale effecten na één blootstelling;

- vergiftig of schadelijk op grond van ernstige effecten na herhaalde of langdurige blootstelling;

- sensibiliserend.

De chemische benaming dient te worden vermeld in de vorm van een van de in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG of, als de stof nog niet in die bijlage is opgenomen, in een internationaal erkende chemische nomenclatuur opgenomen benamingen.

2.3.4. Ten gevolge van bovenstaande bepalingen behoeft de naam van een stof op grond waarvan het preparaat is ingedeeld in een van de volgende gevarencategorieën:

- ontplofbaar;

- oxiderend;

- zeer licht ontvlambaar;

- licht ontvlambaar;

- ontvlambaar;

- irriterend;

- gevaarlijk voor het milieu,

niet op het etiket te worden vermeld, tenzij die stof reeds is vermeld uit hoofde van punt 2.3.1, 2.3.2 of 2.3.3.

2.3.5. In het algemeen volstaan maximaal vier scheikundige benamingen voor de identificatie van de stoffen die in hoofdzaak verantwoordelijk zijn voor de grote gevaren voor de gezondheid welke hebben geleid tot de indeling en de keuze van de bijbehorende standaardzinnen ter aanduiding van de bijzondere gevaren. In bepaalde gevallen kunnen meer dan vier scheikundige benamingen noodzakelijk zijn.

2.4. Gevaarsymbolen en -aanduidingen

De gevaarsymbolen, voorzover die in deze richtlijn zijn vastgesteld, en de aanduidingen van de aan het gebruik van het preparaat verbonden gevaren moeten in overeenstemming zijn met de aanwijzingen van bijlage II en bijlage VI bij Richtlijn 67/548/EEG en worden aangebracht overeenkomstig de resultaten van de in de bijlagen I, II en III bij deze richtljn beschreven beoordeling van de gevaren.

Wanneer aan een preparaat meer dan één gevaarsymbool moet worden toegekend:

- maakt de verplichting om het symbool T aan te brengen, het aanbrengen van de symbolen C e X facultatief, behoudens andersluidende bepalingen van bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG;

- maakt de verplichting om het symbool C aan te brengen het symbool X facultatief;

- maakt de verplichting om het symbool E aan te brengen de symbolen F en O facultatief;

- maakt de verplichting om het symbool Xn aan te brengen, het symbool Xi facultatief.

De symbolen worden in zwart op oranjegele grond gedrukt.

2.5. De waarschuwingszinnen (R-zinnen)

De waarschuwingszinnen ter aanduiding van de bijzondere gevaren (R-zinnen) moeten in overeenstemming zijn met de aanwijzingen van bijlage III en bijlage VI bij Richtlijn 67/548/EEG en worden aangebracht overeenkomstig de resultaten van de in de bijlagen I, II en III bij deze richtlijn beschreven beoordeling van het gevaar.

In het algemeen volstaan maximaal zes R-zinnen voor de beschrijving van de gevaren; daarbij worden de in bijlage III bij Richtlijn 67/548/EEG opgenomen combinatiezinnen telkens als één zin geteld. Indien een preparaat echter tegelijk tot meer dan één gevarencategorie behoort, moeten de standaardzinnen alle belangrijke gevaren omvatten, die aan het preparaat zijn verbonden. In bepaalde gevallen kunnen meer dan zes R-zinnen vereist zijn.

De waarschuwingszinnen "zeer licht ontvlambaar" of "licht ontvlambaar" hoeven niet te worden vermeld bij een gevaaraanduiding die wordt aangebracht in overeenstemming met punt 2.4.

2.6. De veiligheidsaanbevelingen (S-zinnen)

De veiligheidsaanbevelingen (S-zinnen) moeten in overeenstemming zijn met de aanwijzingen van bijlage IV en met bijlage VI bij Richtlijn 67/548/EEG en worden aangebracht naar gelang van de resultaten van de in bijlagen I, II en III bij deze richtlijn beschreven beoordeling van het gevaar.

In het algemeen volstaan maximaal zes S-zinnen voor het formuleren van de meest aangewezen veiligheidsaanbevelingen; daarbij worden de in bijlage IV bij Richtlijn 67/548/EEG opgenomen combinatiezinnen telkens als één zin geteld. In bepaalde gevallen kunnen evenwel meer dan zes S-zinnen vereist zijn.

Wanneer het praktisch gezien niet mogelijk is de veiligheidsaanbevelingen voor het gebruik van het preparaat op het etiket of op de verpakking zelf aan te brengen, worden zij bij de verpakking gevoegd.

2.7. De nominale inhoud (nominale massa of nominaal volume) wanneer het preparaten betreft die aan het grote publiek worden aangeboden.

3. Voor bepaalde preparaten die als gevaarlijk zijn ingedeeld in de zin van artikel 7 kan, in uitzondering op het bepaalde in de punten 2.4, 2.5 en 2.6 van dit artikel, volgens de in artikel 20 bedoelde procedure vrijstelling van sommige bepalingen betreffende de milieutechnische kenmerking worden verleend of kunnen specifieke bepalingen in verband met de milieutechnische kenmerking worden vastgelegd indien een afname van de milieueffecten kan worden aangetoond. Deze vrijstellingen en specifieke bepalingen worden omschreven in bijlage V, deel A of B.

4. Wanneer een verpakking niet meer dan 125 ml kan bevatten, behoeven:

- bij preparaten die zijn ingedeeld als licht ontvlambaar, oxiderend, irriterend, met uitzondering van de preparaten waaraan waarschuwingszin R41 is toegekend, of als milieugevaarlijk en waaraan het N-symbool is toegekend, de waarschuwingszinnen (R-zinnen) en de veiligheidsaanbevelingen (S-zinnen) niet te worden vermeld;

- bij preparaten die zijn ingedeeld als ontvlambaar of milieugevaarlijk en waaraan het N-symbool niet is toegekend, de veiligheidsaanbevelingen (S-zinnen) niet te worden vermeld, maar moeten de waarschuwingszinnen wel worden vermeld.

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 16, lid 4, van Richtlijn 91/414/EEG mogen aanduidingen als "niet vergiftig", "niet schadelijk", "milieuvriendelijk", "ecologisch", dan wel soortgelijke aanduidingen waaruit moet blijken dat het gaat om ongevaarlijke preparaten, of die ertoe kunnen leiden dat de aan dergelijke preparaten verbonden gevaren worden onderschat, niet voorkomen op de verpakking of op het etiket van de onder deze richtlijn vallende preparaten.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen