Art. 5 Richtlijn 1999/31/EG, Afvalstoffen en vormen van behandeling die niet op een stortplaats mogen worden aanvaard

Richtlijn 1999/31/EG

1. De lidstaten ontwikkelen uiterlijk twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een nationale strategie voor de vermindering van de naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbare afvalstoffen en stellen de Commissie van die strategie in kennis. De strategie dient maatregelen te omvatten er verwezenlijking van de in lid 2 vermelde doelstellingen door middel van met name hergebruik, compostering, productie van biogas of terugwinning van materialenenergie. De Commissie legt de Raad en het Europees Parlement binnen 30 maanden na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum een rapport voor met een overzicht van de nationale strategieën.

2. De strategie dient het volgende te garanderen:

a) uiterlijk vijf jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum wordt het naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbaar stedelijk afval verminderd tot 75 gewichtsprocent van de totale hoeveelheid biologisch afbreekbaar stedelijk afval, geproduceerd in 1995 of in het laatste jaar voor 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn;

b) uiterlijk acht jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum wordt het naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbaar stedelijk afval verminderd tot 50 gewichtsprocent van de totale hoeveelheid biologisch afbreekbaar stedelijk afval, geproduceerd in 1995 of in het laatste jaar voor 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn;

c) uiterlijk 15 jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum wordt het naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbaar stedelijk afval verminderd tot 35 gewichtsprocent van de totale hoeveelheid biologisch afbreekbaar stedelijk afval, geproduceerd in 1995 of in het laatste jaar voor 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn.

Twee jaar vóór de onder c) genoemde datum toetst de Raad de bovengenoemde doelstelling, op basis van een verslag van de Commissie over de praktische ervaringen van de lidstaten betreffende de verwezenlijking van de onder a) en b) genoemde doelstellingen, dat zo nodig vergezeld gaat van een voorstel om deze doelstelling te bevestigen dan wel te wijzigen teneinde een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen.

De lidstaten die in 1995 of in het laatste jaar vóór 1995 waarvoor gestandaardiseerde Eurostat-gegevens beschikbaar zijn meer dan 80 % van hun ingezamelde stedelijk afval naar stortplaatsen brachten, mogen het verwezenlijken van de in de punten a), b) of c) genoemde doelstellingen uitstellen met ten hoogste vier jaar. De lidstaten die voornemens zijn van deze bepaling gebruik te maken, stellen de Commissie tevoren in kennis van hun beslissing. De Commissie stelt de andere lidstaten en het Europees Parlement van die beslissingen in kennis.

De uitvoering van de bovenstaande bepaling mag er in geen geval toe leiden dat de onder c) genoemde doelstelling later wordt bereikt dan vier jaar na de onder c) bedoelde datum.

3. De lidstaten treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende afvalstoffen niet op een stortplaats worden aanvaard:

a) vloeibare afvalstoffen;

b) afvalstoffen die onder de op de stortplaats heersende omstandigheden ontplofbaar, corrosief, oxiderend, licht ontvlambaar of ontvlambaar zijn, zoals omschreven in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG;

c) ziekenhuisafval en andere klinische afvalstoffen, afkomstig van medische of diergeneeskundige instellingen, die infectueus zijn zoals omschreven in Richtlijn 91/689/EEG (eigenschap H9 van bijlage III), en afvalstoffen behorende tot categorie 14 (bijlage I, deel A van die richtlijn;

d) hele gebruikte banden vanaf twee jaar na de in artikel 18, lid 1, bedoelde datum, met uitzondering van voor technische doeleinden gebruikte banden en versnipperde gebruikte banden vanaf vijf jaar na deze datum (in beide gevallen met uitzondering van fietsbanden en banden met een buitendiameter van meer dan 1400 mm);

e) alle anderen soorten afvalstoffen die niet voldoen aan de overeenkomstig bijlage II vastgestelde aanvaardingscriteria.

4. Het is verboden afvalstoffen te verdunnen of te vermengen uitsluitend om aan de aanvaardingscriteria te voldoen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen