Art. 4 Verordening (EG) nr. 2799/98
1. Wat de prijzen en andere dan de in artikel 5 bedoelde bedragen betreft, mag de lidstaat bij aanzienlijke revaluatie aan de landbouwers compenserende steun toekennen. De steun wordt in drie opeenvolgende tranches van twaalf maanden toegekend vanaf de maand maart die volgt op de aanzienlijke revaluatie.
De compenserende steun mag niet worden toegekend in de vorm van een aan de productie gebonden bedrag, tenzij aan de productie in een vastgelegde voorbije periode. De steun mag niet gericht zijn op een productie of afhankelijk worden gesteld van het bestaan van een productie na die periode.
2. Het maximumbedrag van de eerste tranche van de compenserende steun wordt volgens de procedure van artikel 9 voor de betrokken lidstaat als geheel vastgesteld door het betrokken percentage van aanzienlijke revaluatie te vermenigvuldigen met het overeenkomstig de bijlage, punten 1 tot en met 3, vastgestelde forfaitaire inkomensverlies.
3. In voorkomend geval wordt het maximumbedrag van de eerste tranche gekort of geannuleerd, afhankelijk van de marktsituatie in het jaar aan het einde waarvan de aanzienlijke revaluatie is vastgesteld.
4. Er wordt geen steun toegekend voor het gedeelte van het overeenkomstig lid 2 berekende bedrag beneden 2,6 % aanzienlijke revaluatie.
5. Het bedrag van de tweede en dat van de derde tranche van de steun wordt ten opzichte van de voorgaande tranche telkens verminderd met ten minste één derde van dat van de eerste tranche.
Het bedrag van de tweede en de derde tranche wordt gekort of geannuleerd, afhankelijk van het effect op de inkomens van de geconstateerde ontwikkeling van de wisselkoersen tot het begin van de maand vóór de eerste maand van de betrokken tranche en met inachtneming van de tijdens dezelfde periode geconstateerde marktsituatie.
6. De in lid 3 en lid 5, tweede alinea, bedoelde verdiscontering van de marktsituatie vindt plaats aan de hand van de volgende criteria.
Voor een of meer sectoren kan het bedrag van één of meer tranches worden gekort, als wordt geconstateerd:
a) dat de gemiddelde marktprijs voor de betrokken lidstaat tijdens het jaar waarin een aanzienlijke revaluatie plaatsvindt, of tussen het begin van de vorige tranche en het begin van de maand voorafgaand aan de eerste maand van de betrokken tranche, hoger is dan of gelijk is aan het gemiddelde van de marktprijzen in de lidstaten waar er in diezelfde periode geen aanzienlijke revaluatie is geweest. De marktprijzen worden vergeleken op basis van het indexcijfer 100 voor de prijs in nationale valuta of in euro,
of
b) dat, gezien de datum van de aanzienlijke revaluatie ten opzichte van de ontstaansfeiten voor de betrokken sector, niet kan worden geconcludeerd dat de betrokken revaluatie een effect heeft gehad voor de volledige betrokken periode.
Bij toepassing van het bepaalde onder b), wordt de in artikel 4, lid 5, bedoelde korting van minstens een derde berekend op basis van het bedrag van de eerste tranche dat zou zijn toegekend als het bepaalde onder b) niet was toegepast.
Deze criteria kunnen op grond van de opgedane ervaring worden gewijzigd volgens de procedure van artikel 9.