Art. 4 Verordening (EG) nr. 2026/97, Niet tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

Verordening (EG) nr. 2026/97

1. De volgende subsidies worden niet aan compenserende maatregelen onderworpen:

a) subsidies die in de zin van artikel 3, leden 2 en 3, niet-specifiek zijn;

b) subsidies die in de zin van artikel 3, leden 2 en 3, specifiek zijn, maar aan de voorwaarden van de leden 2, 3 en 4 van het onderhavige artikel voldoen;

c) het subsidie-element dat eventueel in een van de in bijlage IV vermelde maatregelen besloten ligt.

2. Subsidies voor onderzoekactiviteiten van ondernemingen of van instellingen van hoger onderwijs of van onderzoekinstellingen die voor ondernemingen op contractuele basis onderzoek verrichten, worden niet aan compenserende maatregelen onderworpen, indien de subsidies niet meer dan 75 % van de kosten van industrieel onderzoek of 50 % van die van preconcurrentiële ontwikkeling dekken en voorzover deze subsidies worden beperkt tot:

a) personeelskosten (uitsluitend voor de onderzoekactiviteit ingezette onderzoekers, technici en andere ondersteunende medewerkers);

b) kosten van apparatuur, van uitrusting, van terreinen en gebouwen die uitsluitend en permanent (behalve indien deze op commerciële basis worden afgestaan) voor onderzoek worden gebruikt;

c) kosten van advies en van soortgelijke diensten die uitsluitend voor het onderzoek worden gebruikt, met inbegrip van aangekocht onderzoek, aangekochte technische kennis, octrooien enz.;

d) bijkomende algemene kosten die rechtstreeks uit de onderzoekactiviteiten voortvloeien;

e) andere exploitatiekosten (zoals de kosten van materialen, leveranties en dergelijke) die rechtstreeks uit de onderzoekactiviteiten voortvloeien.

De eerste alinea is niet van toepassing op burgerluchtvaartuigen zoals omschreven in de Overeenkomst inzake de handel in burgerluchtvaartuigen van 1979, zoals deze is gewijzigd, of in later overeenkomsten tot wijziging of vervanging van die overeenkomst.

Voor de doeleinden van de eerste alinea geldt het volgende:

a) het toegestane niveau van de subsidie waartegen geen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, wordt vastgesteld aan de hand van de totale, in aanmerking komende kosten die gedurende een afzonderlijk project zijn ontstaan.

Wat programma's betreft die zowel "industrieel onderzoek" als "preconcurrentiële ontwikkeling" omvatten, mag het niveau van de subsidie waartegen geen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, niet hoger zijn dan het gewone gemiddelde van de toegestane niveaus van de subsidie waartegen geen compenserende maatregelen kunnen worden genomen dat op deze twee categorieën van toepassing is, berekend aan de hand van alle in aanmerking komende kosten zoals in de punten a) tot en met e) van de eerste alinea is beschreven;

b) onder "industrieel onderzoek" wordt verstaan, geprogrammeerd of kritisch onderzoek dat gericht is op het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze kennis bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten te gebruiken, of om tot een aanmerkelijke verbetering van bestaande producten, processen of diensten te komen;

c) onder "preconcurrentiële ontwikkeling" wordt verstaan, de omzetting van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, ongeacht of deze voor verkoop of voor gebruik zijn bestemd, met inbegrip van de fabricage van een eerste, niet voor commerciële doeleinden geëigend prototype. Voorts kan dit begrip omvatten: de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, processen of diensten en van eerste demonstratie- of van proefprojecten, voorzover deze projecten niet voor industriële toepassing of voor commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt noch daarvoor geschikt kunnen worden gemaakt. Het begrip omvat niet: routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen opleveren.

3. Subsidies aan achtergebleven regio's op het grondgebied van het land van oorsprong en/of van uitvoer die in het algemene kader van regionale ontwikkeling worden verleend en die volgens de criteria van artikel 3, leden 2 en 3, binnen de in aanmerking komende regio's niet-specifiek zouden zijn, worden niet aan compenserende maatregelen onderworpen, mits:

a) elke achtergebleven regio een duidelijk afgebakende aaneengesloten geografische zone vormt met een definieerbare economische en administratieve identiteit;

b) de regio als achtergebleven wordt beschouwd op grond van neutrale en objectieve criteria die erop wijzen dat de problemen van die regio niet slechts aan tijdelijke omstandigheden te wijten zijn; deze criteria moeten in wetten, in regelgeving of in andere officiële documenten duidelijk zijn omschreven, zodat een en ander kan worden nagegaan;

c) de onder b) genoemde criteria een meting van economische ontwikkeling omvatten die ten minste op één van de volgende factoren berust:

- hetzij het inkomen of het gezinsinkomen per hoofd van de bevolking, hetzij het BBP per hoofd van de bevolking, dat niet meer dan 85 % mag bedragen van het gemiddelde op het grondgebied van het betrokken land van oorsprong of van uitvoer;

- het werkloosheidspercentage dat ten minste 110 % moet bedragen van het gemiddelde op het grondgebied van het betrokken land van oorsprong of van uitvoer;

een en ander gemeten over een periode van drie jaar; deze berekening mag echter een gemengde zijn en mag andere factoren erbij betrekken.

Voor de doeleinden van de eerste alinea wordt verstaan onder:

a) een "algemeen kader van regionale ontwikkeling", regionale subsidieprogramma's die deel uitmaken van een innerlijk samenhangend regionaal ontwikkelingsbeleid van algemene toepassing waarbij de subsidies voor regionale ontwikkeling niet aan geïsoleerde geografische plaatsen worden toegekend die op de ontwikkeling van een regio geen of vrijwel geen invloed hebben;

b) "neutrale en objectieve criteria", criteria die niet meer dan nodig bepaalde regio's begunstigen om in het kader van het regionale ontwikkelingsbeleid de regionale verschillen op te heffen of deze geringer te maken. Regionale subsidieprogramma's omvatten in dit verband maxima voor de hoogte van de subsidie die voor elk gesubsidieerd project kan worden toegekend. Deze maxima moeten verschillen naar gelang van de verschillende ontwikkelingsniveaus van de in aanmerking komende regio's en moeten in termen van investeringskosten of kosten van het scheppen van arbeidsplaatsen worden uitgedrukt. Binnen deze maxima dient de verdeling van de subsidie voldoende gespreid en gelijkmatig te gebeuren om te voorkomen dat een subsidie overwegend door bepaalde ondernemingen wordt gebruikt of dat aan bepaalde ondernemingen onevenredig hoge subsidiebedragen worden toegekend.

De definities worden toegepast met inachtneming van de criteria van artikel 3, leden 2 en 3.

4. Subsidies ter bevordering van de aanpassing van de bestaande uitrusting aan in de wetten en/of regelgeving vervatte nieuwe milieu-eisen die voor de ondernemingen meer verplichtingen en grotere financiële lasten meebrengen, worden niet aan compenserende maatregelen onderworpen, mits de subsidie:

a) een éénmalige, niet meer terugkomende maatregel is, en

b) tot 20 % van de kosten van aanpassing beperkt is, en

c) geen betrekking heeft op de vervangings- en exploitatiekosten van de gesteunde investering, welke kosten volledig door de ondernemingen moeten worden gedragen, en

d) rechtstreeks verband houdt met en evenredig is aan de voorgenomen vermindering van overlast en vervuiling door een onderneming en geen eventuele besparing op de productiekosten dekt, en

e) beschikbaar is voor alle ondernemingen die de nieuwe uitrusting installeren en/of de nieuwe productieprocessen toepassen.

Voor de toepassing van dit lid wordt onder "bestaande uitrusting" verstaan, uitrusting die op het tijdstip waarop de nieuwe milieu-eisen worden opgelegd, reeds ten minste twee jaar in gebruik is.

Vorige artikelen

Volgende artikelen