Art. 14 Verordening (EG) nr. 2026/97, Beëindiging zonder maatregelen

Verordening (EG) nr. 2026/97

1. Wanneer de klacht wordt ingetrokken, kan de procedure worden beëindigd, tenzij die beëindiging niet het belang van de Gemeenschap dient.

2. Wanneer, na overleg, blijkt dat beschermende maatregelen onnodig zijn en het raadgevend comité geen bezwaar maakt, wordt het onderzoek of de procedure beëindigd. In alle andere gevallen doet de Commissie de Raad onverwijld een verslag over de resultaten van het overleg toekomen, tezamen met een voorstel tot beëindiging van de procedure. De procedure wordt beëindigd geacht indien de Raad niet binnen één maand met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen anders besluit.

3. Overeenkomstig lid 5 wordt de procedure onverwijld beëindigd indien wordt vastgesteld dat de hoogte van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, minimaal is, of indien het volume van zowel de werkelijke als de potentiële invoer met subsidie of de schade te verwaarlozen is.

4. Bij een overeenkomstig artikel 10, lid 13, ingeleide procedure wordt de schade normalerwijze als te verwaarlozen beschouwd indien het marktaandeel van de betrokken invoer minder bedraagt dan het aandeel dat in artikel 10, lid 11, is bepaald. Bij onderzoek naar de invoer met subsidie uit ontwikkelingslanden wordt het volume van deze invoer als te verwaarlozen beschouwd indien deze minder dan 4 % van de totale invoer van het soortgelijke product in de Gemeenschap uitmaakt, tenzij de invoer uit ontwikkelingslanden waarvan het afzonderlijke aandeel in de totale invoer minder dan 4 % vertegenwoordigt, tezamen meer dan 9 % van de totale invoer van het soortgelijke product in de Gemeenschap beloopt.

5. De hoogte van de subsidies waartegen compenserende maatregelen kunnen worden genomen, wordt als minimaal beschouwd indien deze minder dan 1 % ad valorem bedraagt, met de volgende uitzonderingen:

a) bij onderzoeken naar de invoer uit ontwikkelingslanden bedraagt de drempel voor het als minimaal te beschouwen 2 % ad valorem, en

b) voor de bijlage VII van de Subsidieovereenkomst genoemde ontwikkelingslanden die WTO-lid zijn en voor de WTO-lid zijnde ontwikkelingslanden die uitvoersubsidies als omschreven in artikel 3, lid 4, onder a), van de onderhavige verordening volledig hebben afgeschaft, bedraagt de drempel voor het als minimaal te beschouwen 3 % ad valorem; indien de toepassing van deze bepaling afhangt van de afschaffing van uitvoersubsidies, wordt deze bepaling toegepast vanaf de datum waarop die afschaffing bij de WTO-commissie Subsidies en compenserende maatregelen is aangemeld en voor zolang de uitvoersubsides niet door het betrokken ontwikkelingsland worden toegekend; deze bepaling vervalt acht jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst,

op voorwaarde dat slechts het onderzoek wordt beëindigd, indien de hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies onder het voor individuele exporteurs relevante niveau voor het als minimaal te beschouwden ligt. De procedure blijft echter op hen van toepassing en bij een eventueel later volgend nieuw onderzoek dat voor het betrokken land op grond van de artikelen 18 en 19 wordt verricht, kunnen zij opnieuw aan een onderzoek worden onderworpen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen