Art. 31 Verordening (EG) nr. 950/97
1. Op basis van de in artikel 29, lid 2, van deze verordening bedoelde elementen en op zodanige wijze dat de samenhang met de uit artikel 12, lid 4, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 voortvloeiende verdeling van de kredieten over de lidstaten is gewaarborgd, stellen de lidstaten voor de periode 1994-1999 de ramingen van de jaarlijkse uitgaven op.
Oostenrijk, Finland en Zweden stellen deze ramingen op voor het tijdvak 1995-1999.
Deze ramingen hebben betrekking op alle door het EOGFL, afdeling Oriëntatie, gefinancierde uitgaven die vallen onder:
a) deze verordening;
b) Richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven (12);
c) Richtlijn 72/160/EEG van de Raad van 17 april 1972 ter bevordering van de bedrijfsbeëindiging in de landbouw en van de aanwending van cultuurgrond tot verbetering van de structuur (13);
d) Verordening (EG) nr. 952/97 van de Raad van 20 mei 1997 betreffende producentengroeperingen en unies daarvan (14);
e) Verordening (EEG) nr. 389/82 van de Raad van 15 februari 1982 betreffende producentengroeperingen en unies daarvan in de sector katoen (15);
f) Verordening (EEG) nr. 1696/71 van de Raad van 26 juli 1971 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector hop (16);
g) Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (17).
2. De lidstaten doen de ramingen van de jaarlijkse uitgaven vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 4253/88 opgestelde bijstandsaanvraag.
De bijstandsaanvraag bevat de informatie die nodig is om door de Commissie beoordeeld te kunnen worden, met name een beschrijving van de voorgestelde actie, het toepassingsgebied (ook in geografisch opzicht) en de specifieke doelstellingen, alsmede de vermelding van de organen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de actie en de begunstigden.
Voorzover de in lid 1 bedoelde verordeningen en de aan de Commissie meegedeelde nationale toepassingsbepalingen een beschrijving bevatten van de acties en de specifieke doelstellingen, hoeft de informatie daarover niet in de bijstandsaanvraag te worden opgenomen.
In ieder geval moet in de bijstandsaanvraag een verdeling staan van de uitgaven die uit hoofde van elk van de in lid 1 bedoelde verordeningen worden gedaan en, in het geval van deze verordening, de verdeling tussen de verschillende titels van die verordening voor de gehele periode, alsmede een uitsplitsing per jaar van alle uitgaven.
3. Voor de regio's die vallen onder de doelstellingen 1 en 6 als omschreven in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2052/88, worden de in lid 1 bedoelde uitgavenramingen geïntegreerd in de documenten betreffende de in artikel 8, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 en artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4253/88 bedoelde programmering.
4. Voor de regio's die niet onder doelstellingen 1 en 6 vallen, delen de lidstaten uiterlijk op 30 april 1994 de in lid 1 bedoelde uitgavenramingen mede, waarbij zij onderscheid maken tussen de gegevens voor de onder doelstelling 5 b) vallende zones en de gegevens voor de rest van het grondgebied.
Oostenrijk, Finland en Zweden delen deze ramingen binnen 3 maanden na hun toetreding mede.
In voorkomend geval stellen de lidstaten uiterlijk op 30 april een bijwerking op van de uitgavenramingen en van de gegevens die met de bijstandsaanvragen zijn ingediend.
5. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 30 de uitvoeringsbepalingen van dit artikel vast.