Art. 5

1. Elke lidstaat ziet erop toe dat de levering van de universele dienst aan de volgende eisen beantwoordt:

- de dienst waarborgt de naleving van de essentiële eisen;

- de dienst biedt gebruikers die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden, een identieke dienstverlening;

- de dienst wordt geleverd zonder enige discriminatie, met name op grond van politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging;

- de dienst wordt, behoudens wegens overmacht, niet onderbroken of beëindigd;

- de dienst evolueert overeenkomstig de technische, economische en sociale ontwikkeling en de behoeften van de gebruikers.

2. De bepalingen van lid 1 laten de maatregelen onverlet die de lidstaten nemen overeenkomstig de bij het EG-Verdrag, inzonderheid de artikelen 36 en 56, erkende eisen inzake het openbare belang, en die meer bepaald betrekking hebben op de openbare zedelijkheid, de openbare veiligheid, inclusief het strafrechtelijk onderzoek, en de openbare orde.

Uitspraken die dit artikel aanhalen