Art. 2, Definities
1. In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) "machtiging": iedere toestemming waarbij specifieke rechten en verplichtingen worden vastgelegd voor de telecommunicatiesector en waarbij ondernemingen wordt toegestaan telecommunicatiediensten te verstrekken en in voorkomend geval telecommunicatienetwerken voor het verstrekken van zulke diensten tot stand te brengen en/of te exploiteren, in de vorm van de in het hiernavolgende omschreven "algemene machtiging" of "individuele vergunning":
- "algemene machtiging": iedere machtiging, ongeacht of deze voortvloeit uit een "categorale vergunning" dan wel uit algemene wetgeving en ongeacht of dergelijke regelgeving registratie vergt, waarbij de betrokken onderneming geen uitdrukkelijk besluit van de nationale regelgevende instantie behoeft te verkrijgen voordat zij de aan de machtiging ontleende rechten mag uitoefenen;
- "individuele vergunning": een machtiging die door een nationale regelgevende instantie wordt verleend en waarbij aan een onderneming specifieke rechten worden verleend of waarbij de activiteiten van die onderneming aan specifieke verplichtingen worden onderworpen die in voorkomend geval de algemene machtiging aanvullen, en waarbij de onderneming niet gerechtigd is de desbetreffende rechten uit te oefenen alvorens zij het door de nationale regelgevende instantie genomen besluit heeft ontvangen;
b) "nationale regelgevende instantie": een of meer instanties die van de telecommunicatieorganisaties juridisch onderscheiden en functioneel onafhankelijk zijn en die door een lidstaat zijn belast met het opstellen van en het toezicht op de naleving van machtigingen;
c) "één-loket-procedure": een procedureregeling waarbij het verkrijgen van individuele vergunningen van, of, in het geval van een algemene machtiging en indien van toepassing, de kennisgeving aan, meer dan één nationale regelgevende instantie, wordt vergemakkelijkt door een op slechts één plaats afgehandelde gecoördineerde procedure;
d) "essentiële eisen": niet-economische redenen van algemeen belang die een lidstaat ertoe kunnen bewegen voorwaarden vast te stellen voor de totstandbrenging en/of exploitatie van telecommunicatienetwerken of het verstrekken van telecommunicatiediensten. Deze redenen zijn beperkt tot de veiligheid van het exploiteren van het netwerk, het behoud van netwerkintegriteit en, in gerechtvaardigde gevallen, de interoperabiliteit van diensten, de bescherming van gegevens, de bescherming van het milieu en van planologische doelstellingen, alsook het doeltreffende gebruik van het frequentiespectrum en het vermijden van schadelijke interferentie tussen radiotelecommunicatiesystemen en andere, zich in de ruimte of op aarde bevindende technische systemen. Gegevensbescherming kan behelzen de bescherming van persoonsgegevens, het vertrouwelijke karakter van informatie die wordt doorgegeven of opgeslagen, alsook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
2. Andere, in Richtlijn 90/387/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de totstandbrenging van de interne markt voor telecommunicatiediensten door middel van de tenuitvoerlegging van Open Network Provision (ONP) (11) en in de interconnectierichtlijn vervatte definities gelden, waar relevant, ook voor de onderhavige richtlijn.