Art. 21 Richtlijn 96/92/EG
1. De Lid-Staten nemen volgens de systemen en rechten van de artikelen 17 en 18 de nodige maatregelen om het mogelijk te maken dat:
- alle op hun grondgebied gevestigde elektriciteitsproducenten en bedrijven die elektriciteit leveren, voor zover de Lid-Staten het bestaan daarvan toestaan, hun eigen vestigingen, dochterondernemingen en in aanmerking komende afnemers via een directe lijn kunnen bevoorraden;
- elke in aanmerking komende afnemer die op hun grondgebied gevestigd is, via een directe lijn kan worden bevoorraad door een producent en door een bedrijf dat elektriciteit levert, voor zover de Lid-Staten het bestaan daarvan toestaan.
2. De Lid-Staten stellen criteria vast voor de toekenning van vergunningen voor de aanleg van directe lijnen op hun grondgebied. Die criteria moeten objectief en niet-discriminerend zijn.
3. De mogelijkheid van bevoorrading via een directe lijn als bedoeld in lid 1 laat de mogelijkheid tot het sluiten van een leveringscontract overeenkomstig de artikelen 17 en 18 onverlet.
4. De Lid-Staten kunnen de vergunning voor de aanleg van een directe lijn afhankelijk stellen van een weigering van toegang tot het net op basis van - naar gelang van het geval - artikel 17, lid 5, of artikel 18, lid 4, dan wel de inleiding van een geschillenbeslechtingsprocedure overeenkomstig artikel 20.
5. De Lid-Staten kunnen de vergunning voor een directe lijn weigeren indien de verlening van een dergelijke vergunning de bepalingen van artikel 3 zou doorkruisen. De weigering moet naar behoren met redenen worden omkleed.