Art. 4 Richtlijn 96/53/EG

Richtlijn 96/53/EG

1. De Lid-Staten staan op hun grondgebied niet het normale verkeer toe van voertuigen of voertuigcombinaties voor het nationale goederenvervoer, die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde kenmerken.

2. De Lid-Staten kunnen op hun grondgebied echter wel het verkeer toestaan van voertuigen of voertuigcombinaties voor het nationale goederenvervoer die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.3, 2, 3, 4.1 en 4.3 van bijlage I vermelde kenmerken.

3. Voertuigen of voertuigcombinaties die de maximumafmetingen overschrijden, mogen slechts tot het verkeer worden toegelaten op basis van zonder discriminatie door de bevoegde instanties afgegeven speciale vergunningen of op basis van per geval met deze instanties overeengekomen niet discriminerende regelingen, wanneer deze voertuigen of voertuigcombinaties ondeelbare ladingen vervoeren of daarvoor bestemd zijn.

4. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voor goederenvervoer gebruikte voertuigen of voertuigcombinaties die bepaald nationaal vervoer verrichten dat niet van noemenswaardige invloed is op de internationale concurrentie in de vervoersector, op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die afwijken van de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde afmetingen.

Vervoer wordt geacht niet van noemenswaardige invloed te zijn op de internationale concurrentie in de vervoersector als een van de onder a) of b) genoemde voorwaarden vervuld is:

a) het vervoer wordt op het grondgebied van een Lid-Staat verricht met speciale voertuigen of voertuigcombinaties in zodanige omstandigheden dat het normaal gesproken niet wordt verricht met voertuigen uit andere Lid-Staten, bij voorbeeld vervoer in de bosbouw en de bosbouwindustrie;

b) de Lid-Staat die het vervoer op zijn grondgebied toestaat door voertuigen of voertuigcombinaties met andere dan de in bijlage I vermelde afmetingen, staat tevens het gebruik toe van motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers die aan de in bijlage I voorgeschreven afmetingen voldoen, en wel in zulke combinaties dat ten minste de in die Lid-Staat toegestane laadruimte kan worden bereikt zodat alle vervoerders dezelfde concurrentiemogelijkheden hebben (het moduleconcept).

De betrokken Lid-Staat, die zijn wegeninfrastructuur moet aanpassen om aan de voorwaarde onder b) te voldoen, mag evenwel tot uiterlijk 31 december 2003 verbieden dat in het nationale vrachtvervoer op zijn grondgebied aan het verkeer wordt deelgenomen door voertuigen of voertuigcombinaties die de vigerende nationale normen inzake afmetingen overschrijden, mits de nationale wetgeving op niet-discriminerende wijze van kracht blijft voor communautaire vervoerders.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij uit hoofde van dit lid treffen.

5. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voertuigen of voertuigcombinaties waarin nieuwe technologieën of concepten zijn verwerkt, die het voldoen aan een of meer voorschriften van deze richtlijn onmogelijk maken, tijdens een proefperiode bepaald plaatselijk vervoer verrichten. De Lid-Staten stellen de Commissie daarvan in kennis.

6. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voor vrachtvervoer gebruikte voertuigen of voertuigcombinaties die vóór de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, tot en met 31 december 2006 op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde afmetingen overschrijden als gevolg van het bestaan van afwijkende nationale bepalingen of meetmethoden.

Vorige artikelen

Volgende artikelen