Art. 13, Uitzonderingen en beperkingen
1. De Lid-Staten kunnen wettelijke maatregelen treffen ter beperking van de reikwijdte van de in artikel 6, lid 1, artikel 10, artikel 11, lid 1, artikel 12 en artikel 21 bedoelde rechten en plichten indien dit noodzakelijk is ter vrijwaring van
a) de veiligheid van de Staat;
b) de landsverdediging;
c) de openbare veiligheid;
d) het voorkomen, het onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten of schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen;
e) een belangrijk economisch en financieel belang van een Lid-Staat of van de Europese Unie, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden;
f) een taak op het gebied van controle, inspectie of regelgeving, verbonden, ook al is dit incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de onder c), d) en e), bedoelde gevallen;
g) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.
2. Mits er passende wettelijke garanties worden geboden, met name dat de gegevens niet zullen worden gebruikt om maatregelen of besluiten te treffen ten aanzien van een individuele betrokkene, mogen de Lid-Staten ingeval er duidelijk geen gevaar bestaat dat inbreuk wordt gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, de in artikel 12 bedoelde rechten beperken wanneer de gegevens uitsluitend met het oog op wetenschappelijk onderzoek worden verwerkt of slechts gedurende de periode die nodig is voor het opstellen van statistieken in de vorm van persoonlijke gegevens worden bewaard.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475
- Rb. Rotterdam 23 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4738
- Conclusie A-G Keulen 14 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1181
- Conclusie A-G Keulen 14 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1180
- ABRvS 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3309
- Conclusie A-G Keulen 14 december 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1179