Art. 21 Verordening (EG) nr. 3283/94
Belang van de Gemeenschap 1. In het kader van deze verordening wordt bij het beantwoorden van de vraag, of het belang van de Gemeenschap met een interventie gediend is, rekening gehouden met de belangen van alle betrokkenen, waaronder de binnenlandse producenten, de gebruikers en de consumenten. Een vaststelling op grond van dit artikel wordt slechts gedaan indien alle partijen de gelegenheid hebben gehad hun standpunt overeenkomstig lid 2 bekend te maken. Bij dit onderzoek wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de noodzaak de handel verstorende gevolgen van schade veroorzakende dumping weg te nemen en een effectieve mededinging te herstellen. Maatregelen die op basis van de geconstateerde dumping en schade zijn vastgesteld, mogen niet worden toegepast indien het de autoriteiten, op grond van de voorgelegde informatie, duidelijk is dat het niet in het belang van de Gemeenschap is deze maatregelen toe te passen.
2. Teneinde de autoriteiten voldoende informatie te verschaffen om bij het beantwoorden van de vraag, of het instellen van maatregelen in het belang van de Gemeenschap is, met alle standpunten en gegevens rekening te kunnen houden, kunnen de klagers, de importeurs en hun representatieve verenigingen, de representatieve gebruikers en de representatieve consumentenorganisaties binnen de in het bericht van opening van een anti-dumpingonderzoek gestelde termijnen, zich bij de Commissie bekendmaken en deze laatste inlichtingen verstrekken. Deze inlichtingen, of passende samenvattingen daarvan, worden ter beschikking gesteld van de andere in dit artikel genoemde partijen die het recht hebben daarover opmerkingen te maken.
3. Partijen die overeenkomstig lid 2 hebben gehandeld, kunnen vragen om te worden gehoord. Deze verzoeken worden ingewilligd indien zij binnen de in lid 2 bedoelde termijnen zijn ingediend en daarin de redenen zijn vermeld, waarom, in het belang van de Gemeenschap, een mondeling onderhoud nodig wordt geacht.
4. Partijen die overeenkomstig lid 2 hebben gehandeld, kunnen over de toepassing van ingestelde voorlopige rechten opmerkingen maken. Om in aanmerking te worden genomen, moeten deze opmerkingen uiterlijk één maand na de toepassing van deze maatregelen zijn ontvangen. Deze opmerkingen, of passende samenvattingen daarvan, worden ter beschikking gesteld van andere partijen, die het recht hebben daarop commentaar te geven.
5. De Commissie onderzoekt de informatie die op passende wijze is voorgelegd en gaat na of deze representatief is. Het resultaat van dit onderzoek, te zamen met een oordeel over de waarde van de ontvangen inlichtingen, wordt aan het raadgevend comité voorgelegd. Het overeengekomen standpunt van het comité wordt door de Commissie in aanmerking genomen wanneer zij op grond van artikel 9 een voorstel doet.
6. Partijen die overeenkomstig lid 2 hebben gehandeld, mogen om mededeling verzoeken van de feiten en overwegingen op basis waarvan de definitieve besluiten waarschijnlijk zullen worden genomen. Dergelijke informatie wordt voor zover mogelijk ter beschikking gesteld en doet geen afbreuk aan de later door de Commissie of de Raad te nemen besluiten.
7. De op grond van dit artikel verstrekte inlichtingen worden slechts in aanmerking genomen indien zij door bewijsmateriaal worden gestaafd.