Art. 2 Verordening (EG) nr. 1868/94

Verordening (EG) nr. 1868/94

1. De verdeling van de maximale produktiecontingenten over de aardappelzetmeel producerende Lid-Staten ziet er voor de verkoopseizoenen 1995/1996, 1996/1997 en 1997/1998 als volgt uit:

Denemarken 178 460 ton

Duitsland 591 717 ton

Spanje 2 000 ton

Frankrijk 281 516 ton

Nederland 538 307 ton

Totaal 1 592 000 ton

Er wordt een reserve van ten hoogste 110 000 ton ingesteld ter dekking van de daadwerkelijke produktie in Duitsland tijdens het verkoopseizoen 1996/1977, mits die produktie het gevolg is van niet terug te draaien investeringsverbintenissen van vóór 31 januari 1994. Duitsland kan van dit contingent pas gebruik maken wanneer alle contingenten zijn benut die voortvloeien uit de bedrijfsbeeindiging van aardappelzetmeel producerende ondernemingen. Duitsland kan van de reserve alleen gebruik maken als de Commissie de naleving van voornoemde voorwaarden heeft geconstateerd.

2. Iedere producerende Lid-Staat verdeelt, voor gebruik in de verkoopseizoenen 1995/1996, 1996/1997 en 1997/1998 het in lid 1 genoemde contingent over de aardappelzetmeelfabrikanten, naar keuze van de Lid-Staat:

- hetzij op basis van de gemiddelde hoeveelheid aardappelzetmeel die zij in de verkoopseizoenen 1990/1991, 1991/1992 en 1992/1993 geproduceerd hebben en waarvoor zij de in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 1543/93 bedoelde premie ontvangen hebben,

- hetzij op basis van de door hen in het verkoopseizoen 1992/1993 geproduceerde hoeveelheid aardappelzetmeel waarvoor zij de in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 1543/93 bedoelde premie ontvangen hebben.

Indien nodig moet een producerende Lid-Staat op basis van objectieve criteria ook rekening houden met de door de aardappelzetmeelfabrikanten vóór 31 januari 1994 gedane investeringen, die niet tot produktie geleid hebben tijdens de door die Lid-Staat gekozen referentieperiode.

Vorige artikelen

Volgende artikelen