Art. 110 Verordening (EG) nr. 40/94, Vormvereisten voor omzetting
1. De centrale dienst voor de industriële eigendom waaraan het verzoek tot omzetting is meegedeeld, beslist over de ontvankelijkheid ervan.
2. De aanvrage of het Gemeenschapsmerk waarvan overeenkomstig artikel 109 kennis is gegeven, mag niet onderworpen worden aan nationaalrechtelijke vormvereisten die afwijken van of verder reiken dan de in de verordening of in de uitvoeringsverordening gestelde vormvereisten.
3. De centrale dienst voor de industriële eigendom waaraan het verzoek tot omzetting is meegedeeld, kan eisen dat de aanvrager binnen een termijn die niet korter mag zijn dan twee maanden:
a) de nationale taks voor de aanvrage betaalt;
b) een in een van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat gestelde vertaling van het verzoek en van de bij het verzoek tot omzetting gevoegde documenten indient;
c) een domicilie-adres in de betrokken Staat opgeeft;
d) een door die Staat bepaald aantal exemplaren van een afbeelding van het merk verstrekt.