Art. 105 Verordening (EG) nr. 40/94, Gelijktijdige en opeenvolgende civiele vorderingen op grond van Gemeenschapsmerken en nationale merken

Verordening (EG) nr. 40/94

1. Wanneer voor gerechten van verschillende Lid-Staten tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde handelingen vorderingen wegens inbreuk worden ingesteld, en het ene gerecht op grond van een Gemeenschapsmerk en het andere gerecht op grond van een nationaal merk wordt aangezocht:

a) moet het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, ook ambtshalve, de partijen verwijzen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt indien de betrokken merken gelijk zijn en voor dezelfde waren of diensten gelden. Het gerecht dat tot verwijzing zou moeten overgaan kan zijn uitspraak aanhouden indien de bevoegdheid van het andere gerecht wordt aangevochten;

b) kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak aanhouden indien de betrokken merken dezelfde zijn en gelden voor soortgelijke waren of diensten en ook indien de betrokken merken overeenstemmen en voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten gelden.

2. De rechterlijke instantie waarbij op grond van een Gemeenschapsmerk een vordering wegens inbreuk is ingesteld, wijst de vordering af indien tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde handelingen een onherroepelijke beslissing over het bodemgeschil is gegeven op grond van een nationaal merk dat voor dezelfde waren of diensten geldt.

3. De rechterlijke instantie waarbij op grond van een nationaal merk een vordering wegens inbreuk is ingesteld, wijst de vordering af indien tussen dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde handelingen een onherroepelijke beslissing over het bodemgeschil is gegeven op grond van een Gemeenschapsmerk dat voor dezelfde waren of diensten geldt.

4. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op voorlopige maatregelen en maatregelen tot bewaring van recht.