Art. 905 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Wanneer de beschikkende douaneautoriteit, die een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding uit hoofde van artikel 239, lid 2, van het Wetboek ontvangt, niet in staat is om op grond van artikel 899 te beslissen èn indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt de Lid-Staat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie ter behandeling overeenkomstig de procedure bedoeld in de artikelen 906 tot en met 909.
De uitdrukking "belanghebbende" dient te worden opgevat in dezelfde betekenis als in artikel 899.
In alle andere gevallen wijst de beschikkende douaneautoriteit het verzoek af.
2. Het aan de Commissie voorgelegde dossier moet alle gegevens bevatten die nodig zijn voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval.
De Commissie stelt de betrokken Lid-Staat onverwijld in kennis van de ontvangst van dit dossier.
Wanneer blijkt dat de door de Lid-Staat medegedeelde gegevens ontoereikend zijn om de Commissie in staat te stellen met volledige kennis van zaken uitspraak te doen over het haar voorgelegde geval, kan deze om de mededeling van aanvullende gegevens verzoeken.
3. In afwachting van de afwikkeling van de in de artikelen 906 tot en met 909 bedoelde procedure, kan de beschikkende douaneautoriteit op verzoek van de belanghebbende toestaan dat de douaneformaliteiten betreffende de wederuitvoer of de vernietiging van de goederen worden vervuld alvorens de Commissie uitspraak heeft gedaan over het betrokken geval. Een dergelijke toestemming loopt geenszins vooruit op het definitieve besluit dat ten aanzien van het betrokken geval zal worden genomen.