Art. 857 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Andere vormen van zekerheidstelling dan het storten van contanten of borgstelling, als bedoeld in de artikelen 193, 194 en 195 van het Wetboek, alsmede het storten van contanten of het overdragen van waardepapieren die door de Lid-Staten kunnen worden aanvaard zonder dat aan de in artikel 194, lid 1, van het Wetboek vastgestelde voorwaarden is voldaan, zijn:
a) het vestigen van hypotheek, van een "Grundschuld", van pandrecht op het vruchtgebruik ("antichrese") of van een ander recht dat wordt gelijkgesteld met een op een onroerend goed gevestigd recht;
b) de overdracht van schuldvorderingen, vestigen van een pandrecht met of zonder houderschap van goederen, waardepapieren of schuldvorderingen, in het bijzonder op een spaarboekje of inschrijving in het grootboek van de openbare staatsschuld;
c) het bij overeenkomst aangaan van een passieve hoofdelijke verbintenis door een daartoe door de douaneautoriteiten toegelaten derde, onder andere door overdracht van een wissel waarvan de betaling door die derde wordt gewaarborgd;
d) het storten in contanten of een daarmee gelijk te stellen handeling in een andere muntsoort dan die van de Lid-Staat waar de storting plaatsvindt;
e) deelneming, door middel van betaling van een bijdrage, aan een door de douaneautoriteiten beheerd stelsel van algemene zekerheidstelling.
2. De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder gebruik kan worden gemaakt van de in lid 1 bedoelde vormen van zekerheidstelling worden vastgesteld door de douaneautoriteiten.