Art. 759 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Voor de toepassing van artikel 147, lid 2, van het Wetboek wordt de in artikel 751 bedoelde vergunning afgegeven op aanvraag van degene die de goederen tijdelijk uitvoert zonder dat deze de veredeling laat verrichten. De afwijking wordt aangevraagd bij de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de aanvrager is gevestigd. Zij is eveneens van toepassing in het geval van driehoeksverkeer.
De vergunning wordt aan de aanvrager afgegeven.
Door deze afwijking kan een ander dan de vergunninghouder veredelingsprodukten voor het vrije verkeer aangeven en voor de regeling in aanmerking komen.
2. Bij de aanvraag moeten alle documenten of bewijsstukken worden gevoegd die nodig zijn om de aanvraag te kunnen onderzoeken. Uit deze documenten of bewijsstukken moet onder meer blijken:
- op welke wijze voordeel is te behalen uit de toepassing van artikel 147, lid 2, van het Wetboek doordat wordt bijgedragen aan een bevordering van de verkoop van de tijdelijk uit te voeren goederen ten opzichte van een verkoop onder normale omstandigheden;
- dat door de gevraagde afwijking de wezenlijke belangen van de communautaire producenten van produkten die identiek of soortgelijk zijn aan de veredelingsprodukten die naar verwachting weer zullen worden ingevoerd, niet worden geschaad.
3. Wanneer zij over alle nodige gegevens beschikken, zenden de douaneautoriteiten de aanvraag aan de Commissie, vergezeld van haar advies.
Zodra zij deze aanvraag heeft ontvangen, deelt de Commissie de daarin vermelde gegevens aan de Lid-Staten mede.
De Commissie besluit overeenkomstig de procedure van het Comité of de vergunning kan worden verleend en op welke voorwaarden; zij geeft onder andere aan welke controlemaatregelen moeten worden genomen om te verzekeren dat de in artikel 151 van het Wetboek bedoelde vrijstelling slechts wordt verleend voor veredelingsprodukten waarin de tijdelijk uitgevoerde goederen zijn opgenomen.
Onderafdeling 2
Toekenning van de regeling - Vereenvoudigde procedures