Art. 580 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. De omstandigheden die het in het vrije verkeer brengen van goederen in ongewijzigde staat of hoofdveredelingsprodukten rechtvaardigen worden geacht zich voor te doen wanneer de belanghebbende verklaart dat hij aan deze goederen of produkten geen douanebestemming kan geven, als gevolg waarvan zij niet aan rechten bij invoer zouden worden onderworpen.

2. De douaneautoriteiten kunnen een algemene toestemming voor het in het vrije verkeer brengen verlenen, wanneer dit niet strijdig is met andere communautaire voorschriften inzake het in het vrije verkeer brengen.

3. De invoergoederen kunnen in de Gemeenschap in de vorm van veredelingsprodukten of in de vorm van goederen in ongewijzigde staat in de handel worden gebracht, voordat de formaliteiten voor het in het vrije verkeer brengen zijn vervuld.

De aldus in de handel gebrachte goederen worden voor de toepassing van lid 4 niet beschouwd als goederen die een douanebestemming hebben gevolgd.

4. De invoergoederen waarvoor in het algemeen toestemming is verleend om ze in de vorm van veredelingsprodukten of goederen in ongewijzigde staat in het vrije verkeer te brengen en waaraan bij het verstrijken van de, eventueel overeenkomstig artikel 561, vastgestelde termijn voor de wederuitvoer geen douanebestemming is gegeven, worden beschouwd als in het vrije verkeer te zijn gebracht. De aangifte voor het vrije verkeer wordt geacht te zijn ingediend en aanvaard en de vrijgave te zijn verleend op het tijdstip van het verstrijken van deze termijn.

5. De overeenkomstig lid 3 in de Gemeenschap in de handel gebrachte goederen worden zodra zij aldus in de handel zijn gebracht als communautaire goederen beschouwd.