Art. 500 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Onverminderd de artikelen 568, 656, 695 en 760 wordt de in artikel 85 van het Wetboek bedoelde vergunning, met inbegrip van de vergunning tot het beheren van een douane-entrepot of tot gebruikmaking van het stelsel van douane-entrepots, gesteld op een formulier dat, al naar gelang van het geval, overeenstemt met het model en de bepalingen in de bijlagen 67/A tot en met 67/E. Zij wordt gedateerd en ondertekend.
2. De verleende vergunning wordt de aanvrager ter kennis gebracht.
3. Onverminderd eventuele afwijkingen bedoeld bij de artikelen 556, lid 1, en 760, lid 1, wordt de vergunning van kracht op de datum van afgifte.
4. De vergunning kan, al naar gelang van het geval, betrekking hebben op een of meer aangiften tot plaatsing onder de regeling.
5. Wanneer het een verlenging of wijziging van een reeds afgegeven vergunning betreft waarvoor de aanvraag overeenkomstig artikel 497, lid 3, wordt ingediend, kunnen de douaneautoriteiten, in afwijking van lid 1, geval per geval, hetzij, onder verwijzing naar de vergunning, bij beschikking de vakken aangeven waarin wijzigingen worden aangebracht, hetzij een nieuwe vergunning verlenen.