Art. 467 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Indien de in artikel 463, lid 2, bedoelde bepaling zekerheidstelling voorschrijft, dient zekerheid te worden gesteld in de gevallen waarin, volgens de gegevens van het douanedocument, de in artikel 463, lid 1, bedoelde goederen, die tussen twee plaatsen in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, dit gebied tijdens het vervoer anders dan door de lucht zullen verlaten.
2. De zekerheid wordt gesteld bij het kantoor waar de formaliteiten voor het verzenden van de goederen worden vervuld of bij een andere instantie die daartoe is aangewezen door de Lid-Staat waaronder dat kantoor ressorteert, op de door de douaneautoriteiten van deze Lid-Staat vast te stellen wijze. Wanneer het gaat om een maatregel waarbij een belasting of heffing wordt ingesteld, behoeft de zekerheid niet te worden gesteld indien bij het vervoer van goederen onder de regeling communautair douanevervoer een zekerheid anders dan in geld is gesteld of indien een vrijstelling van zekerheidstelling geldt uit hoofde van de persoon van de aangever.