Art. 459 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Wanneer de douaneautoriteiten van een Lid-Staat het ontstaan van een douaneschuld vaststellen, wordt zo spoedig mogelijk een vordering ingediend bij de aansprakelijke organisatie van de Lid-Staat. Wanneer het ontstaan van de douaneschuld het gevolg is van het feit dat de goederen waarop het carnet ATA betrekking heeft, niet zijn wederuitgevoerd of niet op regelmatige wijze zijn vrijgegeven binnen de overeenkomstig de ATA-overeenkomst vastgestelde termijnen, wordt de vordering niet eerder dan drie maanden na de datum waarop de geldigheidsduur van het carnet is verstreken, ingediend.
2. Het centralisatiekantoor dat een vordering indient, zendt, voor zover mogelijk terzelfder tijd, een informatienota overeenkomstig het in bijlage 59 opgenomen model naar het centralisatiekantoor waaronder het kantoor van tijdelijke invoer ressorteert.
Indien het centralisatiekantoor in het bezit is van de niet-aangezuiverde strook, voegt het een kopie van deze strook bij de informatienota. De informatienota kan bovendien steeds worden gebruikt indien dit nodig wordt geacht.