Art. 429 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. In elke Lid-Staat houdt de vervoersonderneming, door bemiddeling van haar nationale vertegenwoordiger(s), de administratie in haar centrale kantoor (kantoren) of in dat van haar nationale vertegenwoordiger(s), ter beschikking van de douaneautoriteiten, zodat deze de nodige controles kunnen verrichten.
2. De vervoersonderneming of haar nationale vertegenwoordiger(s) stelt (stellen) de douaneautoriteiten op hun verzoek zo spoedig mogelijk in kennis van alle documenten, boekhoudkundige bescheiden of inlichtingen betreffende zendingen die reeds vervoerd of nog onderweg zijn en waarvan deze autoriteiten kennis willen nemen.
3. Wanneer het overdrachtsformulier TR overeenkomstig artikel 428 als aangifte of document T 1 dan wel T 2 dienst doet, stelt (stellen) de vervoersonderneming of haar nationale vertegenwoordiger(s):
a) de kantoren van bestemming ervan in kennis wanneer exemplaar nr. 1 van het overdrachtsformulier TR zonder aftekening door de douane bij haar is binnengekomen;
b) de kantoren van vertrek ervan in kennis wanneer exemplaar nr. 1 van het overdrachtsformulier TR niet aan haar is teruggezonden, en met betrekking tot dat formulier niet kon worden vastgesteld of de zending op regelmatige wijze bij het kantoor van bestemming werd aangeboden dan wel, bij toepassing van artikel 437, of de zending het douanegebied van de Gemeenschap met als bestemming een derde land heeft verlaten.