Art. 400 Verordening (EEG) nr. 2454/93
In de door de douaneautoriteiten te verlenen vergunning wordt onder meer bepaald:
a) welke kantoren als kantoren van vertrek voor het te verrichten vervoer bevoegd zijn;
b) binnen welke termijn en op welke wijze de toegelaten afzender het kantoor van vertrek over het te verrichten vervoer inlicht, zodat dit kantoor vóór het vertrek van de goederen eventueel een controle kan verrichten;
c) binnen welke termijn de goederen aan het kantoor van bestemming dienen te worden aangebracht;
d) welke identificatiemaatregelen dienen te worden genomen. Met het oog hierop kunnen de douaneautoriteiten voorschrijven dat de toegelaten afzender op de vervoermiddelen of de colli zegels van een speciaal model aanbrengt die door de douaneautoriteiten zijn aanvaard.