Art. 377 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. Bij vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling wordt op de desbetreffende aangifte voor communautair douanevervoer T 1 verwezen naar het in artikel 95, lid 4, van het Wetboek bedoelde certificaat.

2. Het certificaat inzake vrijstelling wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met het model in bijlage 57.

3. Bij de afgifte van het certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling of op enig ander ogenblik tijdens de geldigheidsduur van dit certificaat vermeldt de aangever, onder zijn verantwoordelijkheid, op de achterzijde van het certificaat welke personen hij heeft gemachtigd in zijn naam aangiften voor communautair douanevervoer te ondertekenen. Elke vermelding omvat de naam en de voornaam van de gevolmachtigde en een voorbeeld van diens handtekening. Elke vermelding van een gevolmachtigde wordt door de aangever ondertekend. Het staat de aangever vrij de vakken die hij niet wenst te gebruiken, onbruikbaar te maken.

De aangever kan de vermelding van de naam van een gevolmachtigde op de achterzijde van het certificaat te allen tijde ongedaan maken.

4. Elke persoon die is vermeld op de achterzijde van een aan een kantoor van vertrek overgelegd certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling wordt geacht de gevolmachtigde vertegenwoordiger van de aangever te zijn.

5. De geldigheidsduur van het certificaat inzake vrijstelling van zekerheidstelling bedraagt ten hoogste twee jaar. Deze geldigheidsduur kan echter door de autoriteiten die de vrijstelling hebben verleend, eenmaal met een nieuwe termijn van niet meer dan twee jaar worden verlengd.

6. Bij intrekking van de vrijstelling van zekerheidstelling is de aangever gehouden alle nog geldige certificaten inzake vrijstelling van zekerheidstelling die aan hem zijn afgegeven, onverwijld in te leveren bij de autoriteiten die de ontheffing hebben verleend.

De Lid-Staten delen de Commissie de gegevens mede van de geldige niet ingeleverde certificaten.

De Commissie geeft hiervan kennis aan de andere Lid-Staten.

Afdeling 3

Onregelmatigheden en bewijs van de regelmatigheid van het douanevervoer