Art. 376 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. De vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling geldt overeenkomstig artikel 95, lid 3, van het Wetboek, niet voor goederen:
a) waarvan de totale waarde meer dan 100 000 ecu per zending bedraagt, of
b) die als goederen welke een verhoogd risico met zich brengen, op de in bijlage 56 opgenomen lijst voorkomen.
2. De ontheffing van de verplichting tot zekerheidstelling wordt niet toegepast in het geval dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 360, het aanspreken van het doorlopende krediet verboden is.