Art. 25 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

Voor de tariefindeling van builgaas, niet geconfectioneerd, in onderverdeling 5911 20 00 van de gecombineerde nomenclatuur geldt de voorwaarde dat het weefsel wordt voorzien van herkenningstekens zoals hierna is aangegeven.

Het herkenningsteken, dat bestaat uit een rechthoek met twee diagonalen, dient met regelmatige tussenruimten in beide randen van het weefsel - waarbij de zelfkanten worden vrijgelaten - te worden aangebracht, zodanig dat de afstand tussen twee op elkaar volgende tekens, gemeten tussen hun buitenste zijden, ten hoogste 1 m bedraagt en dat de tekens in de ene rand ten opzichte van die in de andere rand telkens met een halve afstand verspringen. (Het midden van elk teken moet even ver zijn verwijderd van het midden van de dichtstbijzijnde twee tekens die er tegenover liggen in de andere rand.) Ieder teken moet zo worden aangebracht dat de langste zijden van de rechthoek parallel lopen met de ketting van het weefsel. (Zie onderstaande schets.)

De dikte van de lijnen die het herkenningsteken vormen, bedraagt voor de zijden 5 mm en voor de diagonalen 7 mm. De afmetingen van de rechthoek, gemeten aan de buitenkant van de lijnen, bedragen ten minste 8 cm voor de lengte en 5 cm voor de breedte.

De tekens moeten in één kleur worden gedrukt, onuitwisbaar zijn en contrasteren met de kleur van het weefsel.