Art. 201 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. De aangifte wordt ingediend bij het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht. Dit kan geschieden zodra de goederen zijn aangebracht.
2. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de aangifte wordt ingediend voordat de aangever in staat is de goederen aan te brengen. In dat geval kunnen de douaneautoriteiten, al naar gelang van de omstandigheden, een termijn vaststellen waarbinnen de goederen moeten worden aangebracht. Indien de goederen niet binnen die termijn zijn aangebracht, wordt de aangifte geacht niet te zijn ingediend.
3. Wanneer echter op grond van lid 1 aangifte is gedaan voordat de goederen waarop zij betrekking heeft bij het douanekantoor of op een andere door de douaneautoriteiten aangewezen plaats zijn aangekomen, kan deze aangifte slechts worden aanvaard nadat de goederen bij de douane zijn aangebracht.