Art. 138 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. De controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de formulieren EUR.2 wordt bij wijze van steekproef verricht of wanneer de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken goederen.
2. Met het oog op de juiste toepassing van deze bepalingen verlenen de Lid-Staten van de Gemeenschap en de begunstigde republieken elkaar via hun respectieve douaneautoriteiten bijstand bij de controle op de echtheid van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en de formulieren EUR.2 en de juistheid van de daarin vermelde gegevens inzake de werkelijke oorsprong van de betrokken produkten.
3. Voor de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van de Lid-Staat of begunstigde republiek van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of het formulier EUR.2, of een fotokopie daarvan, terug aan de douaneautoriteiten van de Staat van uitvoer, onder vermelding van de formele of materiële redenen van het verzoek om een controle.
De desbetreffende handelsdocumenten of kopieën daarvan worden bij het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of het formulier EUR.2 gevoegd. Tevens zenden de autoriteiten die de controle achteraf aanvragen, ter ondersteuning van hun verzoek, alle door hen verkregen documenten en informatie waardoor zij de indruk hebben gekregen dat de gegevens op het certificaat of formulier niet juist zijn, toe.
Indien de douaneautoriteiten besluiten de toekenning van de in artikel 120 bedoelde tariefpreferenties op te schorten, in afwachting van de resultaten van de controle, verlenen zij vrijgave van de produkten onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
4. De douaneautoriteiten van de Lid-Staat van invoer of van de begunstigde republiek worden binnen een termijn van maximaal zes maanden van de resultaten van de controle in kennis gesteld. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of de krachtens lid 3 teruggezonden documenten betrekking hebben op de uitgevoerde goederen en of deze goederen inderdaad voor de in artikel 120 bedoelde tariefpreferentie in aanmerking komen.
Indien bij gegronde twijfel binnen zes maanden na de datum van het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de produkten vast te stellen, wordt de tariefpreferentie niet toegekend, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden.
5. Met het oog op de controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden kopieën van deze certificaten alsmede daarop betrekking hebbende uitvoerdocumenten gedurende ten minste twee jaar door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer bewaard.
Onderafdeling 4
Ceuta en Melilla