Art. 10 Verordening (EEG) nr. 793/93, Risicobeoordeling van de op de prioriteitslijsten staande stoffen op het niveau van de als rapporteur aangewezen Lid-Staat

Verordening (EEG) nr. 793/93

1. Volgens de procedure van artikel 15 en rekening houdend met een billijke taakverdeling tussen de Lid-Staten wordt voor iedere op de prioriteitslijsten staande stof een Lid-Staat aangewezen als verantwoordelijk voor de beoordeling van die stof.

De Lid-Staat wijst uit de in artikel 13 bedoelde instanties de rapporteur voor die stof aan.

De rapporteur beoordeelt de door de fabrikant(en) of importeur(s) overeenkomstig de artikelen 3, 4, 7 en 9 verstrekte gegevens en eventuele andere ter beschikking staande informatie en bepaalt, na raadpleging van de betrokken fabrikanten of importeurs, in welke gevallen het met het oog op de risicobeoordeling noodzakelijk is nadere inlichtingen en/of aanvullend onderzoek van bovengenoemde fabrikanten of importeurs van prioriteitsstoffen te verlangen.

2. Indien de rapporteur het nodig acht om nadere inlichtingen en/of aanvullend onderzoek te verlangen, stelt hij de Commissie daarvan op de hoogte. Het besluit nadere inlichtingen en/of aanvullend onderzoek van bovengenoemde fabrikant(en) of importeur(s) te verlangen en het bepalen van de daartoe gestelde termijn geschieden volgens de procedure van artikel 15.

3. Voor een bepaalde prioriteitsstof maakt de rapporteur een beoordeling van het risico van de desbetreffende stof voor mens of milieu.

In voorkomend geval stelt hij een strategie voor om deze risico's in de hand te houden, daaronder begrepen beperkende maatregelen en/of programma's voor toezicht. Wanneer deze beperkende maatregelen aanbevelingen behelzen om het op de markt brengen en het gebruik van de bedoelde stof te beperken, legt de rapporteur een analyse voor betreffende de voor- en nadelen van de stof en de beschikbaarheid van vervangingsstoffen.

De rapporteur zendt zijn risicobeoordeling en de door hem aanbevolen strategie toe aan de Commissie.

4. Het feitelijke of potentiële risico voor mens en milieu wordt, aan de hand van de vastgestelde beginselen, vóór 4 juni 1994 beoordeeld volgens de procedure van artikel 15. Deze beginselen worden regelmatig opnieuw besproken en zo nodig volgens dezelfde procedure herzien.

5. Indien de fabrikanten of importeurs verzocht wordt om nadere inlichtingen en/of aanvullend onderzoek, moeten dezen, gezien de noodzaak proeven op gewervelde dieren te beperken, ook nagaan of de voor de beoordeling van de stof noodzakelijke informatie beschikbaar is bij vroegere fabrikanten of importeurs van de aangemelde stof en, eventueel tegen betaling van de kosten, kan worden verkregen. Indien proeven beslist nodig zijn, dient te worden onderzocht of dierproeven kunnen worden vervangen of beperkt door gebruikmaking van andere methoden.

Laboratoriumproeven die nodig zijn, moeten worden verricht onder eerbiediging van de in Richtlijn 87/18/EEG vastgestelde beginselen van "goede laboratoriumpraktijken" en de bepalingen van Richtlijn 86/609/EEG.

Uitspraken die dit artikel aanhalen