Art. 6 Richtlijn 93/89/EEG
1. Ongeacht de structuur van de in artikel 3 genoemde belastingen stellen de Lid-Staten de tarieven van deze belastingen op een dusdanige wijze vast dat zij voor elke categorie of subcategorie van de in de bijlage beschreven voertuigen niet lager zijn dan de in die bijlage vastgestelde minimumtarieven.
2. Aan Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië en Portugal wordt tot en met 31 december 1997 toegestaan minimumtarieven toe te passen die ten minste 50 % van de in de bijlage vastgestelde tarieven bedragen.
3. De Lid-Staten kunnen verlaagde tarieven of vrijstellingen toepassen voor
- militaire voertuigen, voertuigen van de burgerbescherming, de brandweer en andere diensten voor eerstehulpverlening, alsook voertuigen voor de ordehandhaving en voertuigen voor het onderhoud van de wegen,
- voertuigen die slechts af en toe deelnemen aan het verkeer op de openbare weg in de Lid-Staat van registratie en die gebruikt worden door natuurlijke of rechtspersonen die het goederenvervoer niet als hoofdactiviteit hebben, mits het vervoer door deze voertuigen niet leidt tot concurrentievervalsing, en onder voorbehoud van de toestemming van de Commissie.
4. Onder voorbehoud van de in artikel 12 bedoelde toetsing kunnen de Lid-Staten tot 1 juli 1998 speciale afwijkingen toepassen voor voertuigen met ten hoogste drie assen die uitsluitend voor plaatselijk binnenlands vervoer worden gebruikt.
De toepassing van deze afwijkingen wordt regelmatig door de Commissie beoordeeld. Zij brengt hierover jaarlijks aan de Raad verslag uit.
5. a) Op voorstel van de Commissie kan de Raad met eenparigheid van stemmen, om specifieke politieke redenen van sociaal-economische aard of in verband met de infrastructuurvoorzieningen, aan een Lid-Staat toestemming verlenen voor het handhaven van aanvullende vrijstellingen of verlagingen van de motorrijtuigenbelastingen. Deze vrijstellingen of verlagingen mogen alleen betrekking hebben op in de betrokken Lid-Staat geregistreerde voertuigen die uitsluitend goederen vervoeren binnen een nauwkeurig afgebakend gedeelte van het grondgebied van de Lid-Staat.
b) Elke Lid-Staat die een dergelijke vrijstelling of verlaging wil handhaven stelt de Commissie hiervan in kennis en doet haar voorts alle noodzakelijke informatie toekomen. De Commissie stelt de overige Lid-Staten binnen een maand in kennis van de voorgestelde vrijstelling of verlaging.
De Raad wordt geacht toestemming te hebben verleend voor het handhaven van de voorgestelde vrijstelling of verlaging wanneer binnen twee maanden na de datum waarop de overige Lid-Staten overeenkomstig de bovenstaande littera geïnformeerd zijn, noch door de Commissie noch door een Lid-Staat verzocht is om bespreking van de kwestie door de Raad.
6. Onverminderd het bepaalde in de leden 3, 4 en 5 van dit artikel, en in artikel 6 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen Lid-Staten (6), mogen de Lid-Staten geen enkele vrijstelling of verlaging van de in artikel 3 genoemde belastingen toekennen, indien hierdoor het bedrag van de verschuldigde belasting onder de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde minimumtarieven zou komen te liggen.
7. De in lid 1 bedoelde minimumtarieven blijven tot en met 31 december 1997 ongewijzigd. Vanaf die datum kan de Raad onder de in het Verdrag bepaalde voorwaarden deze minimumtarieven, zo nodig, aanpassen.
Tolgelden en gebruiksrechten
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G VAN HILTEN 16 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK0298
- Conclusie A-G VAN HILTEN 16 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK0282
- Conclusie A-G VAN HILTEN 16 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK0272
- Conclusie A-G VAN HILTEN 16 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK0261
- Conclusie A-G VAN HILTEN 16 oktober 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BK0249