Art. 14 Richtlijn 93/38/EEG

Richtlijn 93/38/EEG

1. Deze richtlijn is van toepassing op opdrachten waarvan de geraamde waarde zonder de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) gelijk is aan of meer bedraagt dan:

a) 400 000 ecu voor opdrachten voor leveringen en dienstverrichtingen geplaatst door diensten die een activiteit verrichten als omschreven in artikel 2, lid 2, onder a), b) en c);

b) 600 000 ecu voor opdrachten voor leveringen en voor dienstverrichtingen geplaatst door diensten die een activiteit verrichten als omschreven in artikel 2, lid 2, onder d);

c) 5 000 000 ecu voor opdrachten voor de uitvoering van werken.

2. Met het oog op de raming van het bedrag van een opdracht voor het verrichten van diensten vermeldt de aanbestedende dienst de totale vergoeding van de dienstverrichter, rekening houdend met het bepaalde in de leden 3 tot en met 13.

3. Voor de raming van het bedrag van opdrachten voor financiële diensten worden de volgende bedragen in aanmerking genomen:

- voor verzekeringsdiensten, de te betalen premie;

- voor bankdiensten en andere financiële diensten, honoraria, provisies en rente, alsmede andere vormen van beloning;

- voor opdrachten die een ontwerp inhouden, de te betalen honoraria of provisies.

4. In geval van opdrachten voor leveringen die betrekking hebben op leasing, huur of huurkoop, wordt de waarde van de opdracht berekend op de volgende grondslag:

a) indien het gaat om opdrachten met een vaste looptijd: de totale geraamde waarde voor de gehele looptijd wanneer die twaalf maanden of minder bedraagt, dan wel de totale waarde met inbegrip van de geraamde residuwaarde wanneer de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt;

b) indien het gaat om opdrachten van onbepaalde duur of indien de looptijd niet kan worden bepaald: het verwachte totaalbedrag van de tijdens de eerste vier jaar te verrichten betalingen.

5. In geval van opdrachten voor het verrichten van diensten zonder opgave van een totale prijs wordt het bedrag van de opdracht op de volgende grondslag geraamd:

- indien het gaat om opdrachten met een vaste looptijd van niet meer dan 48 maanden: de totale waarde voor de gehele looptijd;

- indien het gaat om opdrachten van onbepaalde duur of met een looptijd van meer dan 48 maanden: de waarde per maand vermenigvuldigd met 48.

6. Indien in een voorgenomen opdracht voor leveringen of voor het verrichten van diensten optiebedingen worden vermeld, dient het hoogst toelaatbare bedrag voor aankoop, leasing, huur of huurkoop, inclusief de optiebedingen, als grondslag te worden genomen voor de berekening van de waarde van de opdracht.

7. Indien het gaat om een verwerving van leveringen of diensten voor een bepaalde periode door middel van een reeks opdrachten die aan een of meer leveranciers of dienstverrichters zullen worden gegund of van vervolgopdrachten, dient de waarde van de opdracht te worden berekend op basis van:

a) of wel de totale waarde van de opdrachten die tijdens het voorafgaande boekjaar of de voorafgaande twaalf maanden zijn geplaatst en soortgelijke kenmerken vertoonden, indien mogelijk gecorrigeerd op grond van verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de volgende twaalf maanden,

b) of wel de samengetelde waarde van de opdrachten die zullen worden geplaatst tijdens de twaalf maanden volgende op de gunning van de eerste opdracht, of tijdens de hele looptijd van de opdracht, indien deze langer is dan twaalf maanden.

8. De waarde van een opdracht voor zowel het verrichten van diensten als leveringen moet worden geraamd op basis van de totale waarde van de diensten en de leveringen, ongeacht het respectieve aandeel ervan. Deze raming omvat de waarde van de plaatsing en installatie.

9. De waarde van een raamovereenkomst dient te worden berekend aan de hand van de geraamde maximumwaarde van het geheel van de voor de betrokken periode beoogde opdrachten.

10. De berekening van de waarde van een opdracht voor de uitvoering van werken moet, met het oog op de toepassing van lid 1, worden gebaseerd op de totale waarde van het werk. Onder "werk" wordt verstaan het resultaat van een geheel van werkzaamheden van de bouwnijverheid of de water-en wegenbouw dat een zelfstandige economische functie zal moeten vervullen.

Wanneer met name een levering, een werk of een dienst in verscheidene percelen is verdeeld, moet de waarde van elk perceel in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde waarde. Wanneer de samengetelde waarde van de percelen gelijk is aan of meer bedraagt dan de in lid 1 vermelde waarde, zijn de bepalingen van dit lid op alle percelen van toepassing. Bij opdrachten voor de uitvoering van werken mogen de aanbestedende diensten echter afwijken van lid 1 voor percelen waarvan de geraamde waarde, exclusief BTW, minder dan 1 000 000 ecu bedraagt, mits het samengetelde bedrag van deze percelen niet meer dan 20 % van de totale waarde van het geheel van de percelen bedraagt.

11. Voor de toepassing van lid 1 houden de aanbestedende diensten bij het bepalen van de geraamde waarde van opdrachten voor de uitvoering van werken ook rekening met de waarde van alle leveringen of diensten die voor de uitvoering van het werk noodzakelijk zijn en door de aanbestedende diensten ter beschikking van de aannemer worden gesteld.

12. De waarde van leveringen of diensten die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bepaalde opdracht voor de uitvoering van werken, mag niet bij de waarde van deze opdrachten worden opgeteld met als gevolg dat de verwerving van deze leveringen of van deze diensten aan de toepassing van deze richtlijn wordt onttrokken.

13. De aanbestedende diensten mogen de toepassing van deze richtlijn niet omzeilen door de opdrachten te splitsen of bijzondere regels te gebruiken voor de berekening van de waarde van de opdrachten.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen