Art. 5 Richtlijn 93/36/EEG

Richtlijn 93/36/EEG

1. a) De titels II, III en IV alsmede de artikelen 6 en 7 zijn van toepassing op overheidsopdrachten voor leveringen

- die worden gegund door de in artikel 1, onder b), bedoelde aanbestedende diensten, met inbegrip van de opdrachten van de in bijlage I bedoelde aanbestedende diensten op het gebied van defensie, voor zover het produkten betreft die niet onder bijlage II vallen, mits het geraamde bedrag zonder de belasting over de toegevoegde waarde (BTW) ten minste 200 000 ecu bedraagt;

- die worden gegund door de in bijlage I genoemde aanbestedende diensten en waarvan het geraamde bedrag zonder BTW ten minste de ingevolge de GATT-Overeenkomst vastgestelde drempel bedraagt; wat betreft de aanbestedende diensten op het gebied van defensie, geldt dit alleen voor opdrachten betreffende produkten die onder bijlage II vallen.

b) Deze richtlijn is van toepassing op overheidsopdrachten voor leveringen waarvan de geraamde waarde ten minste gelijk is aan de betrokken drempel op het tijdstip van de bekendmaking van de aankondiging bedoeld in artikel 9, lid 2.

c) De tegenwaarde van de drempels in nationale valuta en de drempel van de GATT-Overeenkomst uitgedrukt in ecu, worden in beginsel om de twee jaar herzien, te rekenen vanaf 1 januari 1988. Deze tegenwaarden worden berekend op grond van de gemiddelde dagwaarde van deze valuta in ecu, en van de ecu in SDR (bijzondere trekkingsrechten) over de periode van 24 maanden die eindigt op de laatste dag van de maand augustus die onmiddellijk voorafgaat aan de eerste januari waarop de herziening van kracht wordt.

De onder dit punt bedoelde berekeningsmethode wordt in beginsel twee jaar na de eerste toepassing ervan op voorstel van de Commissie opnieuw bezien in het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten.

d) De onder a) vermelde drempels, de tegenwaarde daarvan in nationale valuta en de tegenwaarde in ecu van de GATT-Overeenkomst-drempel worden, in de eerste dagen van de maand november die volgt op de onder c), eerste alinea, vastgestelde herziening, bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

2. In het geval van opdrachten inzake leasing, huur of huurkoop van produkten wordt de geraamde waarde van de opdracht berekend op de volgende grondslag:

- bij opdrachten met een vaste looptijd, de totale waarde voor de gehele looptijd wanneer die ten hoogste twaalf maanden bedraagt, dan wel de totale waarde met inbegrip van de geraamde restwaarde wanneer de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt;

- bij opdrachten voor onbepaalde duur of waarvan de looptijd niet kan worden bepaald, het maandelijks te betalen bedrag vermenigvuldigd met 48.

3. In het geval van opdrachten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd, moet voor de vaststelling van de geraamde waarde van de opdracht als berekeningsgrondslag worden genomen:

- de totale reële waarde van de tijdens het voorafgaande boekjaar of tijdens de voorafgaande twaalf maanden geplaatste soortgelijke opdrachten, indien mogelijk gecorrigeerd op grond van verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de twaalf maanden volgende op de eerste opdracht, of

- de geraamde totale waarde van de opeenvolgende opdrachten over de twaalf maanden volgende op de eerste levering of, indien deze zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt, over de volledige looptijd van de opdracht.

De berekeningsmethode voor de raming mag niet worden gebruikt om zich aan de toepassing van deze richtlijn te onttrekken.

4. Wanneer een overwogen aankoop van homogene goederen aanleiding kan geven tot opdrachten die gelijktijdig in afzonderlijke percelen worden geplaatst, moet voor de toepassing van de leden 1 en 2 de geraamde totale waarde van deze percelen als grondslag worden genomen.

5. Indien in het bestek van een voorgenomen opdracht voor leveringen optiebedingen zijn opgenomen, dient voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht het in totaal toegestane maximumniveau van de aankoop, leasing, huur of huurkoop, inclusief het optiebeding, als grondslag te worden genomen.

6. Een voorgenomen aankoop van een bepaalde hoeveelheid goederen mag niet worden gesplitst ten einde deze aan de toepassing van deze richtlijn te onttrekken.