Art. 38 Verordening (EEG) nr. 2913/92

Verordening (EEG) nr. 2913/92

1. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, moeten onverwijld door de persoon die deze binnenbrengt, in voorkomend geval langs de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op de door deze autoriteiten vastgestelde wijze, worden gebracht:

a) hetzij naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere, door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats;

b) hetzij naar een vrije zone, indien het binnenbrengen van de goederen in deze vrije zone rechtstreeks kan geschieden:

- hetzij over zee of door de lucht;

- hetzij over land, doch niet via een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap wanneer het om een aan de landgrens tussen een Lid-Staat en een derde land grenzende vrije zone gaat.

2. Elke persoon die zich met het vervoer van de goederen belast, nadat deze in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, met name na overlading, is voor het nakomen van de in lid 1 bedoelde verplichting aansprakelijk.

3. Met in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen worden gelijkgesteld de goederen die, ofschoon zij zich nog buiten dit gebied bevinden, krachtens de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat aan controle kunnen worden onderworpen, met name ingevolge een tussen deze Lid-Staat en een derde land gesloten overeenkomst.

4. Lid 1, onder a), laat de toepassing van de geldende bepalingen inzake het toeristisch verkeer, het grensverkeer, het postverkeer en het verkeer van te verwaarlozen economisch belang onverlet, voor zover het douanetoezicht en de mogelijkheden tot controle door de douane hierdoor niet in het gedrang komen.

5. De leden 1 tot en met 4 en de artikelen 39 tot en met 53 zijn niet van toepassing op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap tijdelijk hebben verlaten, terwijl zij over zee of door de lucht tussen twee in dit gebied gelegen plaatsen werden vervoerd, op voorwaarde dat het rechtstreeks geregeld vervoer met een lijnvliegtuig of een lijnboot betrof waarbij geen tussenlanding werd gemaakt of nergens werd aangelegd buiten het douanegebied van de Gemeenschap.

Deze bepaling is niet van toepassing op in havens of luchthavens van derde landen of in vrije havens geladen goederen.

6. Lid 1 is niet van toepassing op goederen die zich bevinden aan boord van schepen of luchtvaartuigen die de territoriale zee respectievelijk het luchtruim van de Lid-Staten doorkruisen zonder een in deze Lid-Staten gelegen haven of luchthaven als bestemming te hebben.