Art. 16 Verordening (EEG) nr. 684/92

Verordening (EEG) nr. 684/92

Onderlinge bijstand 1. De Lid-Staten verstrekken elkaar op verzoek alle beschikbare gegevens over:

- inbreuken die vervoerders van een andere Lid-Staat op hun grondgebied hebben gemaakt op de bepalingen van deze verordening en op de andere communautaire regels op het gebied van het internationaal personenvervoer met touringcars en met autobussen en de sancties die zij daarop hebben toegepast;

- de sancties die aan hun eigen vervoerders werden opgelegd wegens op het grondgebied van een andere Lid-Staat gemaakte inbreuken.

2. De instantie van afgifte trekt een vergunning in, wanneer de houder niet meer voldoet aan de vereisten op grond waarvan deze is afgegeven, en met name wanneer de Lid-Staat waar de vervoerder is gevestigd, daarom verzoekt. Zij stelt de bevoegde instanties van de betrokken Lid-Staat hiervan onmiddellijk in kennis.

3. De bevoegde instanties van de Lid-Staten verbieden een vervoerder internationaal personenvervoer in het kader van deze verordening te verrichten, indien hij herhaaldelijk ernstige inbreuken heeft gemaakt op de reglementering inzake de verkeersveiligheid, onder andere ten aanzien van de normen voor de voertuigen en de rij- en rusttijden van de bestuurders. AFDELING VI OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Vorige artikelen

Volgende artikelen